:-(

Ik chat veel. Dat is een relatief makkelijke manier van communicatie. Geen oogcontact. Geen lichaamstaal. Minder non-verbale communicatie (ook in een chat word vaak verwacht dat ik een subtiele hint snap, of ‘tussen de regels door lees’, whatever dat is). Geen achtergrondgeluid. Geen mensen die op de achtergrond meeluisteren. Geen gezichtsuitdrukking die ik zou moeten lezen en interpreten. Wel emoji.

Veel autisten schijnen ze fijn te vinden. Ik lees in een boek over autisme: ‘Voor emoties overbrengen hebben ze wat gevonden: de emoji’. Ook op sociale media maak ik het mee. Een autist die ik volg, stuurt liever 3 emoji met een plaatje de wereld in, dan een stuk tekst. Ik vraag rond bij alle autisten die ik online en offline ken, maar ik lijk de enige te zijn die moeite heeft met emoji.

Het schijnt dat de meeste autisten hartstikke visueel zijn ingesteld. Ik helemaal niet. Ik snap het pas als je iets in tekst giet. Woorden, die zijn lekker duidelijk. Vooral als ik ze letterlijk mag nemen. Beeld, op tv, cartoons, foto’s, zorgen bij mij meestal voor verwarring.

Zo ook de emoji.

Zo’n klein dingetje, waar je met geluk een gezicht in kunt herkennen. Moet dat een betekenis overbrengen? Wat dan. Ik snap niks van gezichten, ook in gesprekken in de echte wereld lees ik geen gezichtsuitdrukkingen, en vind ik het niet prettig oogcontact te moeten maken. Voor mij is een gezichtsuitdrukking op een scherm dus geen verheldering, maar een bron van verwarring.

Hier ben ik ook niet alleen in. Op het youtubekanaal invisible leer ik dat er zelfs flashcards bestaan met emoji, voor autisten. Ik werd er boos van, toen ik dat ruim een jaar geleden zag. Moet ik dan nog een vreemde taal gaan leren? Kunnen mensen niet gewoon communiceren in een taal die we allebei begrijpen? Maar kennelijk kunnen ze dat niet. Ondanks herhaalderlijk verzoek van mijn kant, blijven de meeste mensen moderne hieroglyfen tussen hun letters stoppen. Zo communiceren ze nu eenmaal met iedereen, zonder er over na te denken. Communiceren, zonder er over na te hoeven denken. Dat klinkt makkelijk. Maar dat is niet mogelijk voor mensen zoals ik. Dus als je met mij communiceert, denk dan alsjeblieft even na, en laat die emoji achterwege.

Generatie 4

Ik ben de vierde in de familie die deze hobby heeft. En van alle hobby’s is dit een geniale hobby om als vierde te doen. Niet alleen de vierde persoon, maar de vierde generatie.

Mijn overgrootmoeder spaarde krantenadvertenties. Die plakte ze in een dik boek, om te zien wie er familie was van wie. Hoeveel kinderen ze hadden toen ze stierven. Ik heb haar niet bewust meegemaakt en ook niet veel verhalen over haar gehoord, dus meer kan ik je er niet over vertellen.

Dan mijn opa. Mijn moeder vertelde dat er een buurman was die een familiewapen had. Hij was er trots op. Tot er op een dag een man kwam die zei dat hij geen bloedverwant was van de houders van dit wapen, omdat een van zijn voorouders een adoptiekind was. De buurman was er kapot van.

Dit intrigeerde mijn opa. Hoe kon iets wat zó lang geleden gebeurd is voor zoveel verdriet zorgen? Het was het begin van zijn eigen interesse in genealogie.

Hij deed dit in de jaren ’80 en ’90, op de enige manier die toen voorhanden was: archieven bezoeken. Veel van zijn voorouders kwamen uit het noorden van Nederland, en Duitsland, terwijl hij zelf in het westen woonde. Hij boekte dus vakanties in de regio’s van de voorouders en dook dan daar de archieven in, bekeek grafstenen en bezocht mensen met dezelfde achternaam om uit te vinden of ze familie waren. Toen hij overleed in 1997 liet hij een grote doos met papieren na. Notities, krantenknipsels. Ik was 8, maar als ik aan die doos denk, ruik ik de geur van heel oud papier, vermengd met een restlucht van zijn tabak.

Mijn moeder zocht de doos uit en produceerde een document van meer dan honderd pagina’s dat ze op een familiedag uitdeelde. Maar toen ging ze verder. Ze zocht ook mijn vaders kant van de familie uit. Zij hoefde niet de archieven in, inmiddels was het internettijdperk begonnen en kon zij gebruik maken van stambomen die door anderen online waren gezet. Als je maar ver genoeg terug gaat in de tijd, heb je met bijna iedereen wel een gemeenschappelijke voorouder.

Mijn moeder maakte haar eigen website, als ik op mijn eigen naam googelde was die altijd het eerste resultaat. Ik vond het heerlijk om door mijn stamboom te struinen, om de opmerkingen te lezen. Zo was er iemand die in 1834 een boete van 100 gulden heeft betaald voor iemand die van de toen illegale, afgescheiden kerk lid was. Later heeft hij het geld teruggekregen van de gemeenschap. Ook was er iemand wiens huwelijk moest worden uitgesteld omdat hij een man bleek te zijn, maar in het geboorteregister stond hij als vrouw genoteerd. Hij had al twee kinderen toen hij eindelijk trouwde. Ik maakte een keer een lijst van alle plaatsnamen die mijn moeders site vermeldde en een hyvesblogje over alle beroepen die mijn voorouders hadden.

Lange tijd dacht ik dat het geen zin had om me zelf meer dan dit bezig te houden met mijn moeders hobby. Alles was uitgezocht en bekend. Toch begon ik op een dag te googelen op de oudste naam op haar website: Johan Pipe, geboren in 1320. Ik vond zijn vader (hoewel de bron niet heel betrouwbaar was). Een opa van die vader vond ik terug in een oud boek: hij had de brief met het verzoek of Zwolle stadsrechten mocht krijgen medeondertekend.

Toen ging ik los. Ik verwaarloosde mijn studie en googelde urenlang op namen uit mijn moeders bestand. Hele stambomen schreef ik over. Aan bronvermelding deed ik niet, dat kostte te veel tijd. Aan bronnen kritisch evalueren ook niet. Zo schreef ik over dat ik van Griekse helden afstamde, van een mythologisch zeemonster, en, via Willem met de Hoorn die volgens sommige bronnen Perzisch-Joodse voorouders had, van Adam en Eva. Ik was er heel trots op, maar snapte ook wel dat mijn uitgebreide bestand niet heel betrouwbaar was. Jarenlang keek ik er niet meer naar om en raakte zelfs alles kwijt in een computercrash.

Pas in 2017 (de ontdekking van Adam en Eva gebeurde in 2010 of 2011) pakte ik mijn hobby weer op. Ik kopieerde de eerste paar generaties (tot betovergrootouders) van mijn moeder, daarna, ging ik zelf op zoek naar meer info. Dit keer schrijf ik wel bronnen op, en gebruik ik voornamelijk de archieven die inmiddels online staan. Soms ontdek ik een nieuwe voorouder (die dan natuurlijk al lang in mijn moeders bestand bleek te staan), maar ik ben voornamelijk bezig met het opschrijven van alle nakomelingen van mijn voorouders.

En dat zijn er veel. Een voorbeeld: Een van mijn oudovergrootvaders (overgrootvader van mijn betovergrootvader, oftewel 7 generaties boven mij) was Harm Maring. Hij kreeg 8 kinderen, waarvan de jongste in 1812 is geboren. 7 van de 8 (Derk, het 6e kind overleed als tiener) kregen zelf ook weer allemaal kinderen. Volgens mijn bestand heeft hij inmiddels 288 nakomelingen, maar ik vermoed dat ik er nog net zoveel niet gevonden heb.

Vondsten die er voor mij uitspringen zijn namen als Cornelia Ments, geboren op 11-11-1668 (ja dat schreef ik uit mijn hoofd op), omdat ik indirect naar haar vernoemd ben (ik naar mijn oma, zij naar haar oma, etc); en Abraham Bentot, die in Frankrijk geboren is, maar nog voor zijn huwelijk in 1666 naar Leiden is gegaan. Leiden had in de tijd een behoorlijke Franse gemeenschap, voornamelijk vluchtelingen voor geloofsvervolging.

Voor mij leven de 7185 mensen in mijn bestand nog. Hoe meer tijd ik heb besteed aan het opsporen van hun namen en data, hoe meer ik me afgevraagd heb hoe hun levens gelopen zijn. Ik weet zo weinig. Iemand die in 1849 sterft, kan aan de cholera zijn overleden, maar net zo goed schipbreuk hebben geleden. Van één voorouder weet ik dat ze aan de pest is gestorven, haar naam stond in een lijst met namen die in 1603 in een massagraf zijn begraven, maar meestal blijft het gissen. Een vader die een week na zijn kind sterft, is dat zelfmoord, stom toeval, of hadden ze allebei dezelfde ziekte?

De enige feiten die ik heb zijn namen en jaartallen. Namen en jaartallen. Ik zoek ze, type ze over en bewaar ze. Ik koester ze. In gedachten ga ik op visite bij Cornelia Smit, geboren in 1798 en vraag ik haar subtiel naar de naam van haar grootouders. En waarom kom ik haar vader zowel als Johannes en als Nicolaas tegen in de archieven?

Namen en jaartallen. Dat is alles wat nog bestaat van zoveel mensenlevens. Ik koester ze, type ze liefdevol over. Mij kalmeert het. En over honderd jaar, heb ik misschien wel een achter-achterkleinkind voor wie ik alleen een naam ben. Die mijn naam liefdevol overtikt, en zich afvraagt wat voor leven ik geleefd heb.

 

De verbouwing (deel 1)

Eind 2018 vond er een kleine verbouwing plaats in mijn appartementencomplex. Voor mij leverde dat veel angst en overlast op. Ik heb in die nare weken ook veel over mijn eigen autisme geleerd. Het heeft een tijdje geduurd voor ik erover kon schrijven en nog langer voor ik het met de wereld wilde delen. Hieronder vind je deel 1.

 


Aarzelend geef ik eind augustus de brief aan mijn woonbegeleider. Ze is nieuw in mijn leven, ik ken haar nu twee maanden en daartussendoor is ze ook nog op vakantie geweest. Ik durf niet, maar ik heb ook wel door dat ik niet kan doorgaan met wat ik nu doe: de inhoud ervan negeren.

Het is niet de eerste brief, maar minstens de vijfde. Eerst waren er brieven van de woningbouw. ‘Er kan een aannemer bij u binnen willen kijken om een offerte te maken voor de verbouwing waar we u eerder over hebben ingelicht.’ Later ook brieven en e-mails van de aannemer, die inmiddels niet meer voor een offerte, maar voor de planning mijn woning moet bekijken.

Het is voor mij heel onduidelijk. Welke verbouwing? Waar willen ze naar kijken? Ik ben helemaal niet eerder ingelicht, ik heb wel een keer iets gelezen over kozijnen, maar die zitten toch aan de buitenkant?

Het is voor mij heel beangstigend. Vreemde mensen en een onduidelijke situatie. Het helpt ook niet dat de brieven en e-mails mij vragen zélf het bedrijf te bellen. Bellen is een van de engste dingen die er bestaat.

Ik heb veel gelezen over mensen met schulden en weet dat als de stress maar lang genoeg hoog genoeg is, de brieven niet eens meer geopend worden. Het zou veel handiger zijn om, ook als je niet kan betalen, het bedrijf te bellen en iets te regelen, maar iets in die situatie werkt verlammend. Het brein reageert op stress met ‘vecht, vlucht of bevries’. Ik heb geen schulden, maar de mogelijkheid van een verbouwing in huis geeft mij zoveel stress dat ik ook zo reageer en ik kies voor die laatste optie, bevries, hoewel ik door heb hoe dom dat is.

Maar terwijl ik die brieven maandenlang negeer krijg ik een autismediagnose, meer kennis over mijn eigen brein en een woonbegeleider. Dus op een dag leg ik de genegeerde brief bovenop de weekplanning, die ik altijd met haar doorneem.

Zij belt het bedrijf en een afspraak wordt gemaakt om mijn huis te bekijken. Het blijkt te gaan om isolatie van mijn inbouwkasten en de hele berging krijgt een nieuw plafond. Het zal weinig geluid maken, lichte overlast als ze bij mij bezig zijn en als ze de buren doen, hoor ik ze waarschijnlijk niet eens. De verbouwingen beginnen binnenkort, misschien al in oktober.

Over die datum blijf ik in het ongewisse, tot een week van te voren. Dan hoor ik dat op donderdag 29 november tussen half 8 en kwart over 4 aan de beurt ben. Ook vrijdag zijn ze in mijn gebouw bezig en als het uitloopt eventueel nog de maandag en dinsdag erna.

Ik heb de optie om ergens een sleutel af te geven, maar vind het een naar idee om vreemden in mijn huis te hebben zonder toezicht. Maar ik ben ook heel bang voor hoeveel geluid er misschien is als ik thuisblijf. Uiteindelijk vraag ik mijn broer om langs te komen, het plan is dat we samen thuisblijven tot de bouwvakkers aanbellen, dan ga ik onmiddellijk weg en in mijn favoriete theewinkeltje zitten en als het verbouwen voorbij is, zal Teddy laten weten dat mijn huis weer veilig is of zelf ook naar het theewinkeltje komen.

Ik maak me vooral zorgen om de mogelijkheid dat de bouwvakkers eerder aanbellen dan mijn broertje, dus ik vraag mijn woonbegeleider te bellen om een preciezer tijdstip. Zo horen we dat ik het tweede adres ben die donderdag en dat ik waarschijnlijk al vroeg op de ochtend aan de beurt ben, na de buurman die naast mij woont.

De week van de verbouwing is mijn woonbegeleider net op vakantie, maar ik denk dat het wel goed komt. Ik heb om extra duidelijkheid gevraagd rond de tijdstippen en mijn broer zal er bij zijn. Er is in september al gezegd dat het wel mee zal vallen met het geluid, dus ik neem aan dat ik dat wel aankan, zeker als ik gewoon de hele dag mijn koptelefoon ophoud.

 

Mooi weer?

Ik ben op een verjaardag en het is ‘mooi weer’. Het is zonnig en warm weer. Dat is helemaal niet mooi, maar met die mening vorm ik een minderheid. Zonnig  of warm weer is een uitdaging. Er is namelijk meer licht. Zoals ik eerder al blogde, had ik lang niet door dat ik overgevoelig ben voor licht. Ik wist alleen dat ik het vervelend vind als de zon schijnt. Daarnaast zijn er als het warm is meer mensen op straat, meer buren hebben hun ramen open zodat je hun tv of radio of gesprek kunt horen, er zijn kortom veel meer geluiden die mijn overgevoelige hoofd moet verwerken.

Zoals altijd met zulk weer, wordt de verjaardag buiten, in de tuin gevierd. Ik doe echt mijn best om zo lang mogelijk buiten te blijven zitten. Een stoel in de schaduw, zonnebril op. Het lukt me een uur. Voor mij behoorlijk lang. Ik besluit naar binnen te gaan en drie anderen volgen me. De rest van het gezelschap blijft buiten. Ook nieuwe gasten die binnenkomen sluiten zich bij het gezelschap buiten aan. Ook krijg ik vragen waarom ik binnen zit, alsof ik iets geks doe.

Ik wil geen zuurpruim zijn, ik weet dat veel mensen genieten van warm en zonnig weer en dat gun ik ze van harte. Toch doet het ook pijn. Ik binnen, het grote gezelschap buiten. Ik (bijna) alleen, zij de gezellige groep. Ik weer degene wie het niet lukt mee te komen, normaal te zijn en zonder te zeuren buiten te blijven zitten. Het maakt dat ik me eenzaam en onbegrepen voel.

Weet je welk weer pas echt mooi is? Ik hou van regen, wind, en wolken. Hoe meer daarvan, hoe mooier het weer is. Toen ik nog goed kon lopen, ging ik weleens een wandeling maken, juist omdat het keihard regende. En toen ik een dakterras had, ging ik in heftige buien op een tuinstoel zitten, heerlijk. Maar als ik op zo’n dag mijn tv aanzet, heeft de weerman het over ‘slecht weer’.  De weerman zou objectief moeten zijn en het gewoon zonnig of regenachtig noemen, zonder er een persoonlijk woord als ‘mooi’ of ‘slecht’ aan te verbinden.

Ik heb liever niet dat mensen tegen mij zeggen dat het weer mooi is als het zonnig is, of verbaasd reageren als ik het weer mooi noem, als het heerlijk hard aan het regenen is. Het zal wel komen doordat ik als autist taal zo letterlijk neem. Stil sta bij dingen die anderen nauwelijks horen. Voor mij moet wat je zegt volledig zijn en kloppen. Dat is misschien wel te veel gevraagd van een zin die voor andere mensen ‘smalltalk’ is, of een leeg statement. Ik voel me snel afgewezen door taal die mijn ervaring buitensluit.

Maar ik was niet alleen. Drie mensen gingen mee naar binnen toen ik ging. Een van hen zei zelfs dat ze liever buiten zit dan binnen, maar dat ze nog liever met mij praatte. Ik had niet de drukte van de groep, maar wel de luxe een paar mensen in een kleine setting te spreken.