Waterverspilling

Het is lastig om dingen te bedenken die goed helpen tegen overprikkeling. Je terug trekken uit de prikkels, dat helpt. Rust nemen, zonodig zelfs slapen.

Je kunt ook een positieve prikkel gebruiken om minder overprikkeld te raken. Veel autisten hebben een deken die expres zwaar gemaakt is, dat drukt zwaar op je huid. Zo’n deken is nogal duur, en ik weet niet of hij bij mij ook zou werken. Voorlopig maar niet kopen dus.

Er is ook stimmen, ritmisch bewegen wat veel autisten helpt. Ik stim tegenwoordig af en toe, maar het voelt onwennig, ik ben nog te veel bezig met denken hóé ik moet bewegen, in plaats van mezelf te verliezen in de beweging.

Een positieve prikkel die bij mij wel helpt, is eten. Zoetigheid en vet, zijn twee heerlijke smaken. Bij overprikkeling veel fastfood eten, dat doe ik nog weleens. Maar ja, gezond is het niet. Ik probeer gewicht te verliezen, en dit helpt daar niet bij.

Dan blijft er nog maar één ding over, waarvan ik zeker weet dat het helpt. Water op mijn huid. Het liefst uit een zo hard mogelijke douchestraal. Dat is een heerlijk gevoel, en het is alsof ik de overprikkeling samen met het water in het doucheputje zie verdwijnen. En als ik moe ben en staan te veel werk wordt, ga ik er ook rustig bij zitten, op de badkamervloer. Dan kan ik 20 minuten of langer de wereld even vergeten en opgaan in de waterstralen. Vaak ben ik daarna dan genoeg ontprikkeld om weer een (rustgevende) activiteit te ondernemen.

Tegenwoordig voel ik me steeds vaker schuldig over mijn manier van ontprikkelen. Het nieuws staat vol met woorden zoals droogte, waterschaarste, watertekorten, en oproepen om zuinig te zijn. En daar zit ik dan, op mijn badkamervloer met de douchekraan open, water te verspillen.

Het spijt me wereld, ik wist dat ik een betere manier van ontprikkelen wist. Voor nu blijf ik, ondanks mijn schuldgevoel doorgaan met mijn douches. Maar ik hou wel mijn ogen en oren open, en als ik andere manieren van ontprikkelen tegenkom, zal ik ze op zijn minst eens proberen.

Wasmachine

Het is zaterdagmorgen. Ik ga vanmiddag naar mijn zus, en voor die tijd moet ik alleen nog even de was ophangen. Ik heb gisteravond de was erin gedaan, met een timer, dus hij moet nu klaar zijn. Mijn wasmachine is buiten mijn eigen appartement. Ik moet de gang door, en daar staat hij, in een zaaltje met nog 4 andere wasmachines. Wel elk aangesloten op de stroom en water van het appartement waar ze bij horen.

Ik doe de deksel open, en wat gek, mijn was is nog droog. Ik draai aan de knoppen om hem opnieuw aan te zetten, maar er gebeurt niks. Geen lampjes, geen reactie, wat ik ook doe, mijn wasmachine geeft geen kik.

Paniek. Een kapotte wasmachine, dat is duur. En moet ik hem laten repareren, of een nieuwe kopen? Dat ik online een wasmachine kan kopen en morgen al kan bezitten, dat is een troost. Maar wat zijn die dingen duur. Bovendien zijn alle wasmachines die ik online zie anders dan de wasmachine die ik heb, en ik heb geen behoefte aan verandering. Repareren dan maar? Ik zoek wat reparateurs op, maar dat ziet er ook duur uit. Bovendien is er het praktische probleem van schone kleren. Ik heb mijn laatste schone stel aan, de rest moet allemaal gewassen worden. Bij een vriendin wassen? Wat een gedoe!

Ik leid mezelf af van alle gedachten en moeilijke keuzes, en speel een computerspelletje. Dan raap ik al mijn moed bij elkaar, en bel ik de winkel waar ik mijn machine gekocht heb. Volgens mij doen ze ook reparaties. De man aan de telefoon vraagt om het typenummer, dus loop ik al bellend terug naar mijn wasmachine. Hij kan maandag al komen, maar waarschuwt wel dat het waarschijnlijk foute boel is. Wat ik omschrijf, is waarschijnlijk een kapotte printplaat, en dat is prijzig. Terwijl hij praat, valt mijn aandacht ineens op een snoer. Waarom ligt er hier een stekker op de grond? Ik steek hem in het stopcontact, en alle lampjes op mijn wasmachine beginnen te branden. Ik rond het telefoongesprek af, blij dat mijn wasmachine toch niet kapot is, en zet mijn was opnieuw aan. Me afvragend wie er aan mijn stekker heeft gezeten, verlaat ik het pand voor een middag bij mijn zus.

Ik kom pas laat thuis, 10 uur. Nog de was ophangen, en dan kan ik gaan slapen. Maar, mijn was is helemaal niet klaar. De stekker ligt er opnieuw naast. Zondag probeer ik opnieuw te wassen. Als ik twee uur later terugkom bij de machine, zit de stekker er nog wel in, maar is er weer niet gewassen. Bovendien laat hij een piep horen, die ik niet kan plaatsen. Ik reset het menu, en probeer het nog een keer. Maar nu begin ik me af te vragen, als ik weer op de bank zit, of het water wel aangesloten is. Als iemand met de electriciteit kan klooien, dan misschien ook met het water. Ik loop terug naar de wasmachine, die dezelfde piep maakt als eerder, en aangeeft dat het programma is beëindigt. Ik draai aan de waterkraan, en zet de machine opnieuw aan. Nu pas wordt er echt gewassen, en zondagavond kan ik eindelijk de was ophangen die ik vrijdag al in de machine deed.

Ik blijf achter met stress en vragen. Wie heeft er aan mijn wasmachine gezeten? En waarom? Mijn eerste gok is de buurman die naast de wasmachineruimte woont, misschien had hij er last van dat ik ’s nacht waste. Maar waarom dan zo? Hij had eenvoudig het programma kunnen pauzeren. En ik was wel vaker ’s nachts, ik heb er tot nu toe nog nooit klachten over gekregen.

Ik zit slecht in mijn vel. Ik ben boos, op de buurman die ik als vermoedelijke dader zie, maar meer nog op mijn eigen onvermogen. Ieder ander zou bij de buurman aanbellen en verhaal halen. Ik niet, ik durf dat soort dingen niet. Betekent dat dat ik niks doe? Dat mensen zomaar de stekker uit mijn wasmachine kunnen halen, en ik niet eens reageer? Het voelt niet goed, maar dat is inderdaad wat er gebeurt. Het blijft me dwarszitten.

Maandagavond ben ik onderweg naar vrijwilligerswerk. Net als ik langs de deur van de buurman wil lopen, gaat de deur open. Ik haal diep adem, en doe dan toch wat ik niet durfde. ‘He, weet jij misschien of er iemand aan mijn wasmachine heeft gezeten?’

We praten 5 minuten. Ik met tranen in mijn ogen, van de spanning van het aanspreken van de buurman. Hij zegt dat hij ‘nu ook ziet wat het met jou doet’. Hij was inderdaad degene die de stekker er heeft uitgetrokken, omdat hij gek werd van de piep. Het water was toen dus al afgesloten, daar heeft hij niets mee te maken. Wie dat gedaan heeft, en waarom, is nog steeds een mysterie. Ik beloof hem dat ik niet meer ’s nachts was, en hij zegt dat hij de volgende keer mijn wasmachine uit het raam gooit. Hij is nog steeds boos, maar we zijn door dit gesprek tot iets dichter bij elkaar gekomen.

Het blijft een vervelende geschiedenis, maar ik heb mezelf twee keer overwonnen. Eerst door een reparateur te bellen, later door mijn buurman aan te spreken. Ik kan meer dan ik durf, dat moet ik onthouden.

De verbouwing (deel 3)

De verbouwing is voorbij, en ik heb een maand later genoeg rust en overzicht om over mijn ervaring te bloggen. Het is eind januari, en ik schrijf in één week de eerste versie van deel 1 , waarin ik over de aanloop naar de verbouwing schrijf, deel 2, waarin de verbouwing zelf plaatsvindt, en het laatste deel, waarin ik schrijf dat ik ook nog wat van het hele gebeuren geleerd heb. Dat klinkt redelijk compleet, waarom komt er dan ook nog een deel?

Omdat ik een brief kreeg. Eind januari, in de week dat ik die blogs aan het schrijven was. Nadat ik al een volle maand gedacht had dat de verbouwing afgerond was. De brief was vaag, ik wist niet eens zeker dat ze in mijn appartement moesten zijn. Mijn woonbegeleider belde om uitleg, en we kwamen erachter dat het raam in mijn gang vervangen moest worden. Toen nam mijn woonbegeleider afscheid, en nam tijdelijke begeleider T. het stokje over. (Over de wisseling van woonbegeleiders heb ik ook een keer geschreven, dat kun je hier lezen.)

Met T. overlegde ik dat ik niet nog een keer aanwezig wilde zijn bij een verbouwing, al was het nog zo’n kleine ingreep. Hij belde het bedrijf voor me, en regelde dat ik de sleutel ergens kon inleveren. Ook dat inleveren deed hij voor me.

Op donderdag zouden ze tussen 9 en 11 bezig zijn. Al om 8 uur werd er een hoogwerker tegen het gebouw gezet, dus vluchtte ik weg. Ik doodde tijd in de bibliotheek en in winkels. Ik had geregeld dat ik bij een vriendin welkom was, maar haar man was ziek, dus dat kon helaas toch niet doorgaan. Wel dronken we samen thee in de stad. Om 11 uur namen we afscheid, ik kon in theorie nu naar huis gaan. Maar ik durfde nog niet. Nog een uur doodde ik met winkelen, toen fietste ik, behoorlijk moe, naar huis.

Vanaf mijn fiets zag ik de hoogwerker al staan. Ze waren dus nog niet klaar. Wat nu? weer wegfietsen? Waarheen? Ik was te moe en overprikkeld voor nog meer winkels. De hoogwerker was niet op mijn verdieping, maar op die erboven bezig, dus ik beredeneerde dat ze bij mij al klaar waren. Maar toen ik mijn voordeur opende, zag ik een nieuw raam naast de voordeur, en aan de andere kant ervan een man, die stond te zwaaien. Ik schrok, en rende naar de woonkamer, hield de deur naar de gang dicht.

Nu kon ik de man niet meer zien, maar hij was er nog wel. Ik moest eigenlijk naar de wc, maar ik wilde niet weer door de gang lopen. Ik wilde ook wel weer wegvluchten, mijn huis uit, maar ook dan moest ik door de gang met die man aan het andere kant van het nu doorzichtige raam. Bovendien had ik nergens om heen te gaan.

 

Ik zat op de bank. Ze waren vast zo klaar. Ik moest maar eens gaan lunchen. Toen ging de deurbel. Niet de intercom, waarbij je met een schermpje eerst kunt kijken wie er is, maar de deurbel van mijn voordeur. Ik wist niet wat ik moest doen.. Ik was labiel en gestresst, en net als bij het vorige deel van de verbouwing, was ik bang dat als ik nu met een vreemde zou moeten praten, ik niet anders zou doen dan huilen.

Ik deed dus niet open.  Bleef zitten op de bank. Maar toen hoorde ik het geluid van een sleutel die in het slot werd gestoken. Mijn voordeur ging open. Een onbekende was in mijn gang, en als ik nu zou verraden dat ik thuis was, zou het alleen maar awkward worden, ik had immers niet opengedaan. Ik bleef verstijfd zitten. Wilde eigenlijk naar mijn slaapkamer vluchten, onder mijn bed gaan kruipen, maar dat zou geluid maken.

Ik hoorde niks meer op de gang, na een paar minuten al niet meer. Toch kon ik niet zeker weten dat hij weg was. Ik besloot minstens een uur te wachten. Als ik een uur lang niets hoorde, was hij vast weg. Van 10 over half 1, tot tien over half 2 zat ik daar, op de bank. Te bang om geluid te maken en tegelijk doorhebbend hoe belachelijk dat was.Toen opende ik voorzichtig de gangdeur, eerst op een kiertje. Tot mijn opluchting was er niemand. Ik deed de deur verder open. Bekeek verbaasd mijn nieuwe raam. Wat een uitzicht had ik opeens.

 

Koffie

Ik ben op papier lid van een kerk, en al ga ik nooit naar de diensten, ik probeer via de kerk wat meer contacten te krijgen. Daarom word ik begin juli aangemoedigd om mee te gaan naar de koffieochtenden die de hele zomer gehouden worden.

De eerste keer word ik opgehaald, omdat ik van mezelf weet hoe moeilijk ik het vind naar iets nieuws te gaan. De andere keren lukt het me wel om zelf te gaan, wat al een overwinning op zich is. In totaal ben ik 4 van de 6 keer aanwezig.

Er zijn inclusief 2 vrijwilligers, tussen de 6 en de 10 mensen. Voor mij een grote groep. Ik heb mijn leven zo ingericht dat ik meestal maar met 1 of 2 mensen tegelijk praat. Activiteiten waar meer mensen aanwezig zijn vermijd ik vanwege angst of overprikkeling. De eerste keer vind ik het ook behoorlijk overprikkelend, vooral als mensen door elkaar praten. Ook vind ik het moeilijk een gesprek te beginnen of op gang te houden.

Toch ga ik terug. Het is een relatief kleine groep, en een veilige setting. Bovendien is mijn agenda deze zomer behoorlijk leeg, dus kan ik het er best bij hebben. Ik besluit het te zien als oefening in contact leggen. Elke week is het iets makkelijker om te gaan, ervaar ik minder angst, en gaan de gesprekken me iets beter af. Ik begin andere vaste gasten te herkennen, en zij mij. Vond ik het de eerste keer vooral moeilijk, de laatste keer vond ik het vooral leuk.

Wel merkte ik dat het me zoveel energie kostte dat ik de rest van de dag bijna niks meer deed. Het sporten dat ik meestal op dezelfde dag had gepland ging dus ook niet door. Maar dat geeft niet. Sporten is moeilijk, maar mezelf sociaal uitdagen ook. Het bewegen heb ik op andere momenten ingehaald. Ook zonder te sporten heb ik mezelf uitgedaagd, en iets gedaan wat goed voor me was.