Het enneagram

Regelmatig vraag ik mijn broer en zussen of ze een gastblog willen schrijven. Het is best moeilijk om elke week wéér een verhaal over mijn eigen leven of mijn eigen autisme klaar te hebben, en het was oorspronkelijk nooit de bedoeling van deze blog om alleen maar mijn eigen perspectief te benoemen. Het is er nog nooit van gekomen, een gastblog, maar mijn drie jaar jongere zus zei wel een keer dat áls ze een gastblog zou schrijven, die over het enneagram zou gaan.

Huh? Mijn zus weet amper wat het enneagram is. Ze legde het uit: Je bent geïnteresseerd in het enneagram omdat het mensen in hokjes stopt. Voor een autist is dat helder en overzichtelijk. Je creëert duidelijkheid voor jezelf.

De gastblog van mijn zus is er nooit gekomen, en als ze die nu nog wil schrijven, zal ze een ander onderwerp moeten kiezen. Ik doe het nu namelijk zelf, want in tegenstelling tot mijn zus heb ik wél (een beetje) verstand van het enneagram. Het is een van mijn speciale interesses. Een speciale interesse is iets waarin een autist een tijdje helemaal opgaat. Urenlang mee bezig kan zijn en over kan praten. Ik heb eerder al geschreven over de rubik’s kubus, genealogie en over mijn grootse speciale interesse, autisme, gaat bijna de hele blog. In het enneagram heb ik honderden uren gestoken. Ik las tot nu toe 4 boeken, luisterde naar tientallen podcastafleveringen (de meeste langer dan een uur) en ik praat er regelmatig over. Ik probeer erachter te komen welke enneagramnummers bij welke mensen horen, en dat is behoorlijk lastig. Ik heb zelfs een zelfgetekend enneagram op mijn muur geplakt.

20200206_145418
na ruim een jaar gebeurde het eindelijk: een foto op mijn blog. Dit is het enneagram dat ik zelf getekend en op mijn muur geplakt heb. Focus je alleen maar op de lijntjes en de nummers, en laat de kleurtjes en woorden voor nu voor wat het is.

Wat ik zo leuk vind aan het enneagram, is dat het zo complex is. Na al mijn informatiezoeken, heb ik nog steeds het idee dat ik een beginner ben. Het nog maar een klein beetje snap. Dat daagt me uit om meer te leren, meer te onderzoeken, mijn kennis uit te breiden.

Ik denk dat het tijd wordt om uit te leggen wat het enneagram is. Want het mag misschien populair zijn in Amerika, in Nederland is het nog een heel onbekend systeem. Daarom zal ik ook niet álles vertellen, maar me bij de basics houden. Er zijn 9 types, (die weer onder te verdelen zijn in 27, of zelfs 81 types). Ik focus me in deze blog voornamelijk op mijn eigen type: een 5. Of, nog iets uitgebreider: een 5w4sp.

Het enneagram verdeelt mensen onder in 9 nummers. Bij elk nummer horen bepaalde eigenschappen. Ik ben een 5, de observeerder. 5’en benaderen het leven als een puzzel die ze nog niet compleet hebben. Ze zijn altijd op zoek naar meer informatie, alsof ze de wereld eindelijk zullen snappen als ze genoeg kennis hebben. Ze zijn erg op zichzelf, en gierig in informatie, tijd en emoties.

Nummer 5 staat natuurlijk niet alleen op het enneagram, er lopen cirkellijntjes tussen dit nummer en de nummers die ernaast staan, nummer 4 en 6. De nummers naast je nummer heten je wings, en je kopieert een hoop eigenschappen van die nummers. De 4 is de romanticus, die juist heel diep voelt, en type 6 is de loyalist, die snel angstig is. Als ik zeg dat ik een 5w4 (vijf wing vier) ben, bedoel ik daarmee dat ik niet evenwichtig ben, maar dat de 4-kant veel sterker in mij aanwezig lijkt dan de 6. Ik herken wel veel van het kunstzinnige van de 4 bij mezelf, en van het angstige van de 6.

Ook lopen er lijnen op het enneagram, van nummer 5 naar de nummers 7 en 8. Dat zijn de nummers waar ik in stress en groei heenga. Type 7 is de levensgenieter, die van avontuur houdt. Als ik in stress ben, neem ik bepaalde eigenschappen over van de 7. In mijn geval ziet dat er uit als mijn doe-modus, om maar niet te voelen. Zo heb ik aan het begin van de coronacrisis 80 kaarsen gemaakt. Ik wilde bezig blijven en negeerde mijn gevoelens en mijn moeheid. In groei of ontspanning ga ik naar nummer 8, de beschermer. Ik vind het nog erg lastig om de 8 in mezelf te herkennen. Vermoedelijk zijn dit de momenten waarop ik mijn eigen verlegenheid uit het oog verlies en opkom voor iets waar ik in geloof.

Ieder enneagramtype heeft 3 subtypes: Het zelfbehoudende, het sociale, en het seksuele subtype. Kort gezegd focust een zelfbehoudend type zich op zichzelf, het seksuele op een één op één-relatie, en het sociale zich op meerdere relaties. Ik ben het eerste type (in het Engels heet dat self-preserving, daar komt de sp in mijn typecode vandaan).

Ik heb gehoord (van mijn broer, die zijn bron niet terug wist te vinden) dat het voor autisten moeilijker is om hun type te vinden. Ik weet niet of dat klopt, wel weet ik dat ik zelf heel lang getwijfeld heb tussen type 4 en 5. Maar hoe meer ik lees over de 5, hoe duidelijker het wordt dat dit mijn  type is, en nu vraag ik me af hoe ik me ooit in de 4 heb kunnen herkennen.

Soms lees ik ergens dat bepaalde typen autistischer zijn, of dat alle autisten een bepaald nummer op het enneagram hebben, maar dat is niet waar. Een autist kan elk nummer zijn, net zoals alle andere mensen.

Ik heb veel gehad aan het enneagram, en ben er nog steeds volop mee bezig. Wat in mijn geval betekent dat ik erover probeer te leren (als een echte 5). Ook word ik langzaam steeds beter in het herkennen van de 9 nummers bij anderen. En dat is niet, zoals mijn zus suggereerde, om ze in hokjes te stoppen, maar juist om mezelf voor te houden dat mensen anders werken dan ik. Ze komen vanuit andere motivaties en invalshoeken, en met die kennis kan ik beter begrijpen dat iemand anders níét alles over een onderwerp gaat lezen. Dat is mijn stijl, maar niet per se de jouwe. Ook kon ik laatst een vriend advies geven, vanuit de enneagramkennis dat 9’s lui lijken, doordat ze niet goed prioriteiten kunnen stellen.

Voor een beginner stopt het enneagram mensen misschien in hokjes. Maar er zitten allemaal lijntjes tussen die hokjes. Een 5 voelt zich thuis in de nummers 4 tot en met 8, maar zal zich ook wel eens in de nummers 9 tot 3 begeven. Het enneagram helpt me om mensen te begrijpen, juist door me te vertellen hoe verschillend mensen zijn.

 

 

pre-operatieve fase

Het was iets wat ineens in mijn hoofd zat. Kleren die te klein waren gooide ik niet weg, maar ik bewaarde ze. ‘Als het me zelf niet lukt om gewicht te verliezen, kan ik altijd nog een maagverkleining krijgen.’ was de gedachte daarbij.

Ik heb de laatste anderhalf jaar veel goede stappen gezet rond eten, en kwam in een patroon terecht waar ik zelf wel tevreden mee was. Voldoende fruit, voldoende groente, regelmaat. Maar ook een veel te grote portie bij het avondeten. En teveel chocola tussen de maaltijden door. Dat was genoeg om nog steeds niet af te vallen. En daar had je die gedachte weer: ‘Ik kan altijd nog een maagverkleining krijgen.’ En, hoe realistisch was het eigenlijk om dat niet te doen? Zoveel overgewicht als ik heb, hoe raak je dat anders kwijt?

Toen was het geen gedachte meer, maar iets wat ik hardop benoemd had, en toen ging het snel. Doorverwijzing gevraagd aan de huisarts, naar een voorlichtingsbijeenkomst gegaan. 2 dagen later mocht ik al gescreend worden.

Op een avond voor geïnteresseerden leerde ik meer over mijn eigen gewicht. Het lichaam heeft een setpoint, het hoogste gewicht ooit, en probeert daarnaar terug te keren. Afvallen werkt een tijdje, een paar kilo, maar dan doet het lichaam, met honger en hormonen, er alles aan om je meer te laten eten. Ook gaat je lichaam heel spaarzaam met de calorieën om die het wel krijgt. Er zijn genoeg dikke mensen die weinig eten, en daar toch niet van afvallen. Iemand van mijn gewicht onder begeleiding laten sporten en ‘lijnen’, dat werkt bijna nooit. Slechts 5 procent lukt het het gewicht er af te houden op de lange termijn.

Een paar weken na de screening kreeg ik een telefoontje, ik mocht aan het traject beginnen. Dat traject bestaat uit 4 fasen en duurt in totaal 2 jaar. De eerste fase is de pre-operatieve fase. Hierin krijg je een medische screening, (waar ik ook een blog aan gewijd heb) en 6 groepsbijeenkomsten van elk 3,5 uur. In die uren maak je kennis met een arts, een diëtist, een psycholoog en een bewegingsdeskundige, en met alle informatie die zij je willen vertellen.

De bijeenkomsten vallen me zwaar. Ik moet er voor reizen, en ik ben niet gewend om met 10 mensen in een ruimte te zijn, meerdere uren.  We zitten tweehoog, dus ook in de pauzes is het niet gemakkelijk om naar buiten te gaan, en daar even rust te zoeken. Aan het eind van de eerste sessies ben ik overprikkeld en neem ik weinig informatie meer op. Daarna kom ik op het idee om in de pauzes even te ontprikkelen, door een paar minuten op de wc te gaan zitten, met het licht uit. Dat helpt, en ik houd de sessies beter vol.

Thuis gaat het informatie krijgen gewoon door. Als autist bijt ik me soms vast in een onderwerp, en wil er dan alles over weten. Dat noemen we een fiep of special interest. Nu werd de maagverkleining onderwerp van interesse. Ik ben vooral geïnteresseerd in ervaringsverhalen, dus ik lees honderden blogs, tientallen artikelen, een boek, en elk forum wat ik kan vinden. Net zolang tot ik nergens meer nieuwe informatie kan vinden.

Nu is het traject in fase 1 afgerond, en begint fase 2. De weken rond de operatie. Ik maak todolijsten met wat ik nog wil doen voor de operatiedag, wat ik moet meenemen, en wat ik in huis moet hebben.

Ik mag de eerste weken niet fietsen, dus ik ben van anderen afhankelijk voor boodschappen. Ook moet ik in het begin vloeibaar eten, en kan mijn smaak veranderen. Dat zijn allemaal dingen waar ik erg tegenop zie.

 

Generatie 4

Ik ben de vierde in de familie die deze hobby heeft. En van alle hobby’s is dit een geniale hobby om als vierde te doen. Niet alleen de vierde persoon, maar de vierde generatie.

Mijn overgrootmoeder spaarde krantenadvertenties. Die plakte ze in een dik boek, om te zien wie er familie was van wie. Hoeveel kinderen ze hadden toen ze stierven. Ik heb haar niet bewust meegemaakt en ook niet veel verhalen over haar gehoord, dus meer kan ik je er niet over vertellen.

Dan mijn opa. Mijn moeder vertelde dat er een buurman was die een familiewapen had. Hij was er trots op. Tot er op een dag een man kwam die zei dat hij geen bloedverwant was van de houders van dit wapen, omdat een van zijn voorouders een adoptiekind was. De buurman was er kapot van.

Dit intrigeerde mijn opa. Hoe kon iets wat zó lang geleden gebeurd is voor zoveel verdriet zorgen? Het was het begin van zijn eigen interesse in genealogie.

Hij deed dit in de jaren ’80 en ’90, op de enige manier die toen voorhanden was: archieven bezoeken. Veel van zijn voorouders kwamen uit het noorden van Nederland, en Duitsland, terwijl hij zelf in het westen woonde. Hij boekte dus vakanties in de regio’s van de voorouders en dook dan daar de archieven in, bekeek grafstenen en bezocht mensen met dezelfde achternaam om uit te vinden of ze familie waren. Toen hij overleed in 1997 liet hij een grote doos met papieren na. Notities, krantenknipsels. Ik was 8, maar als ik aan die doos denk, ruik ik de geur van heel oud papier, vermengd met een restlucht van zijn tabak.

Mijn moeder zocht de doos uit en produceerde een document van meer dan honderd pagina’s dat ze op een familiedag uitdeelde. Maar toen ging ze verder. Ze zocht ook mijn vaders kant van de familie uit. Zij hoefde niet de archieven in, inmiddels was het internettijdperk begonnen en kon zij gebruik maken van stambomen die door anderen online waren gezet. Als je maar ver genoeg terug gaat in de tijd, heb je met bijna iedereen wel een gemeenschappelijke voorouder.

Mijn moeder maakte haar eigen website, als ik op mijn eigen naam googelde was die altijd het eerste resultaat. Ik vond het heerlijk om door mijn stamboom te struinen, om de opmerkingen te lezen. Zo was er iemand die in 1834 een boete van 100 gulden heeft betaald voor iemand die van de toen illegale, afgescheiden kerk lid was. Later heeft hij het geld teruggekregen van de gemeenschap. Ook was er iemand wiens huwelijk moest worden uitgesteld omdat hij een man bleek te zijn, maar in het geboorteregister stond hij als vrouw genoteerd. Hij had al twee kinderen toen hij eindelijk trouwde. Ik maakte een keer een lijst van alle plaatsnamen die mijn moeders site vermeldde en een hyvesblogje over alle beroepen die mijn voorouders hadden.

Lange tijd dacht ik dat het geen zin had om me zelf meer dan dit bezig te houden met mijn moeders hobby. Alles was uitgezocht en bekend. Toch begon ik op een dag te googelen op de oudste naam op haar website: Johan Pipe, geboren in 1320. Ik vond zijn vader (hoewel de bron niet heel betrouwbaar was). Een opa van die vader vond ik terug in een oud boek: hij had de brief met het verzoek of Zwolle stadsrechten mocht krijgen medeondertekend.

Toen ging ik los. Ik verwaarloosde mijn studie en googelde urenlang op namen uit mijn moeders bestand. Hele stambomen schreef ik over. Aan bronvermelding deed ik niet, dat kostte te veel tijd. Aan bronnen kritisch evalueren ook niet. Zo schreef ik over dat ik van Griekse helden afstamde, van een mythologisch zeemonster, en, via Willem met de Hoorn die volgens sommige bronnen Perzisch-Joodse voorouders had, van Adam en Eva. Ik was er heel trots op, maar snapte ook wel dat mijn uitgebreide bestand niet heel betrouwbaar was. Jarenlang keek ik er niet meer naar om en raakte zelfs alles kwijt in een computercrash.

Pas in 2017 (de ontdekking van Adam en Eva gebeurde in 2010 of 2011) pakte ik mijn hobby weer op. Ik kopieerde de eerste paar generaties (tot betovergrootouders) van mijn moeder, daarna, ging ik zelf op zoek naar meer info. Dit keer schrijf ik wel bronnen op, en gebruik ik voornamelijk de archieven die inmiddels online staan. Soms ontdek ik een nieuwe voorouder (die dan natuurlijk al lang in mijn moeders bestand bleek te staan), maar ik ben voornamelijk bezig met het opschrijven van alle nakomelingen van mijn voorouders.

En dat zijn er veel. Een voorbeeld: Een van mijn oudovergrootvaders (overgrootvader van mijn betovergrootvader, oftewel 7 generaties boven mij) was Harm Maring. Hij kreeg 8 kinderen, waarvan de jongste in 1812 is geboren. 7 van de 8 (Derk, het 6e kind overleed als tiener) kregen zelf ook weer allemaal kinderen. Volgens mijn bestand heeft hij inmiddels 288 nakomelingen, maar ik vermoed dat ik er nog net zoveel niet gevonden heb.

Vondsten die er voor mij uitspringen zijn namen als Cornelia Ments, geboren op 11-11-1668 (ja dat schreef ik uit mijn hoofd op), omdat ik indirect naar haar vernoemd ben (ik naar mijn oma, zij naar haar oma, etc); en Abraham Bentot, die in Frankrijk geboren is, maar nog voor zijn huwelijk in 1666 naar Leiden is gegaan. Leiden had in de tijd een behoorlijke Franse gemeenschap, voornamelijk vluchtelingen voor geloofsvervolging.

Voor mij leven de 7185 mensen in mijn bestand nog. Hoe meer tijd ik heb besteed aan het opsporen van hun namen en data, hoe meer ik me afgevraagd heb hoe hun levens gelopen zijn. Ik weet zo weinig. Iemand die in 1849 sterft, kan aan de cholera zijn overleden, maar net zo goed schipbreuk hebben geleden. Van één voorouder weet ik dat ze aan de pest is gestorven, haar naam stond in een lijst met namen die in 1603 in een massagraf zijn begraven, maar meestal blijft het gissen. Een vader die een week na zijn kind sterft, is dat zelfmoord, stom toeval, of hadden ze allebei dezelfde ziekte?

De enige feiten die ik heb zijn namen en jaartallen. Namen en jaartallen. Ik zoek ze, type ze over en bewaar ze. Ik koester ze. In gedachten ga ik op visite bij Cornelia Smit, geboren in 1798 en vraag ik haar subtiel naar de naam van haar grootouders. En waarom kom ik haar vader zowel als Johannes en als Nicolaas tegen in de archieven?

Namen en jaartallen. Dat is alles wat nog bestaat van zoveel mensenlevens. Ik koester ze, type ze liefdevol over. Mij kalmeert het. En over honderd jaar, heb ik misschien wel een achter-achterkleinkind voor wie ik alleen een naam ben. Die mijn naam liefdevol overtikt, en zich afvraagt wat voor leven ik geleefd heb.

 

Kubus

Als ik bij je op bezoek ben, is de kans groot dat hij vroeg of laat uit mijn tas komt, en als jij bij mij thuis bent, kun je er meerdere door mijn woonkamer zien zwerven: De rubik’s kubus.

Het begon voor mij in 2011. Ik was een weekend weg met vrienden en er waren twee kubussen aanwezig op de locatie. Twee van mijn vrienden bleken de kubus te kunnen oplossen, een paar anderen konden een of twee lagen maken. Ik kon niks, ik heb volgens mij de kubus dat weekend niet eens aangeraakt. Maar ik ging er wel weg met de gedachte: als mijn vrienden hem kunnen oplossen, zou ik daar toch ook toe in staat moeten zijn.

Een paar weken later kocht ik voor 1 euro een goedkope kubus. De kwaliteit was zo slecht dat hij al uit elkaar viel voor ik hem had opgelost. Ik zette hem weer in elkaar, maar verkeerd, en had er per ongeluk een onoplosbare kubus van gemaakt.

Toen ik een week later eindelijk doorhad dat mijn kubus onoplosbaar was, leende ik die van een vriend, en na ongeveer een maand lukte het me eindelijk om die op te lossen, zonder naar een website met uitleg te hoeven kijken.

Nu wilde ik het sneller proberen, eerst was het doel binnen 5 minuten, toen binnen 1. Een paar keer in de jaren die volgden had ik een periode waarin ik verbeten algoritmes oefende, om nog sneller te kunnen, maar meestal draait het bij mij niet om snelheid.

Later begon ik andere puzzels te ontdekken, grotere kubussen, maar ook alternatieve vormen, zoals een pyramide en een dodecahedron (dit woord is sowieso verkeerd gespeld).

Denk niet dat elke autist een cuber is, ik ken massa’s autisten die er niks van moeten weten. En maar één andere autist met wie ik deze passie deel. Maar voor mij zit er wel degelijk verband tussen mijn kubus-hobby en mijn autisme. Dat zit zo:

Special interest

Veel autisten hebben een special interest. Ik gebruik meestal het Engelse begrip in het Nederlands, omdat ik het Nederlandse woord fiep lang niet kende. Een special interest is een hobby of interesse waar iemand helemaal in op gaat. Denk aan de stereotype autist die de hele dag over treinen praat, maar ook aan het tienermeisje dat hele zomers niets anders doet dan boeken lezen. Ik heb meerdere fieps, waar ik later vast nog wel over ga bloggen. Cuben is daar zeker een van.

Verzamelen

Een aantal keren in mijn leven is mijn hobby doorgeslagen in verzamelwoede. Ik heb postzegels verzameld, boeken, oorbellen, thee en kuboids (kubus-achtige puzzels). Daar kan ik soms wel een beetje te ver in gaan en te veel geld aan besteden, of te veel ruimte mee innemen. Zo heb ik nog steeds niet alle oorbellen gedragen die ik als tiener kocht en had ik meer dan 200 theesmaken op een studentenkamer van 8 vierkante meter. Mijn kubussen zijn daarmee vergeleken een kleine verzameling. Ik koos meestal voor de goedkopere puzzels en de hele verzameling past bovenop mijn boekenkast.

Stimmen

Weer een engels woord waarvan ik niet zo goed een Nederlands alternatief weet. Stimmen is repetitief bewegen. Ogenschijnlijk zonder doel, maar voor een autist heeft het een kalmerend effect. Herhaling is fijn. En door je op de beweging te focussen in plaats van op alle prikkels om je heen, creëer je rust. Het kan ontprikkelend werken. Het bekendste voorbeeld van een autist die stimt is waarschijnlijk heen-en-weer wiegen. Dat doe ik sinds een paar maanden. Ik ontdekte dat ik tijdens een meditatie, als ik echt tot rust kom, spontaan ging wiegen. Van voor naar achter of van links naar rechts. Vind ik heerlijk, maar uiteraard doe ik het alleen als ik alleen thuis ben. Maar friemelen, iets in mijn handen willen hebben, heb ik altijd al gehad. Als kind had ik allerlei speeltjes, zoals slijmballen, en ik was altijd in de weer met mijn oorbellen, armbandjes, kleding. Kennelijk kan ik mijn handen gewoon niet stil houden. Tegenwoordig gebruik ik mijn rubik’s kubus hiervoor. Het is mijn ultieme friemelspeeltje.

Chaos

Voor mij is de wereld vaak heel chaotisch en er is veel waar ik geen controle over heb. Dat maakt me bang. Over de kubus heb ik wel controle. De chaos in een doorgehusselde kubus kan ik in een minuut herstellen tot orde. Juist op angstige momenten is dat fijn. Ik gebruik mijn kubus dus veel in het OV, in wachtkamers en tijdens moeilijke gesprekken.

Uitdaging

Ik ben niet alleen autistisch, maar ook slim. Ik hou van puzzels, in alle soorten en maten behalve de legpuzzel. Ik hou er van intellectueel uitgedaagd te worden. De rubik’s kubus is lang niet meer zo moeilijk als in het begin, maar het voelt nog steeds heerlijk om hem opgelost te hebben. Alsof ik net iets bereikt heb.

 

Meestal speel ik met de standaard 3×3 Rubik’s kubus, maar ook met de eindeloze variaties daarop ben ik graag in de weer. Ze zwerven door mijn huis, en door mijn tassen, want zonder kubus de deur uit gaan, dat doe ik niet. Wanneer ik afleiding nodig heb, is er altijd een kubus die klaarlicht, en mijn hoofd en vingers iets geeft om op te focussen. En, ohja, het is ook gewoon leuk om mee te spelen!