Gewicht

Doodongelukkig was ik, aan het begin van de middelbare school. In groep 8 was ik erg gepest, en ik had naar de nieuwe school toegeleefd als naar een nieuw begin. Helaas viel ik ook hier buiten de groep en ik ervoer erg veel angst bij het alleen moeten reizen met het openbaar vervoer (ik zat op een streekschool). Toen ontdekte ik iets wat op dat moment hielp, maar me later nog veel narigheid zou bezorgen. Eten.

Tot die tijd was ik mollig geweest, maar niet echt te dik. Ik voelde me eenzaam, anders, en ik was een moeilijk kind, dat thuis woedeaanvallen had. Achteraf denk ik dat ik gewoon heel erg overprikkeld was en me daarom zo gedroeg, maar in die tijd wist ik nog niks over autisme en al helemaal niet dat ik autist was.

Toen ik eten ontdekte, lukte het me steeds beter de woedeaanvallen te beheersen. Ik had nu een andere uitlaatklep voor emoties. Op school kocht ik in de pauze snoep en deelde dat uit. Totdat de zak leeg was, was ik heel even populair op school, en was het of ik vrienden had. Onderweg naar huis moest ik overstappen op een groot station en daar kocht ik broodjes, chips, of zakken snoep. Alleen voor mij, en niemand die er van wist.

Een paar jaar later begonnen de dieetpogingen. Ik deed atkins toen nog niemand daarvan gehoord had, montignac, en talloze andere dingen waar ik nu de naam van vergeten ben. Ook probeerde ik vaak om mijn calorie-inname te beperken, door maaltijden over te slaan, wat leidde tot een vreetbui later op de dag.

Toen ik van de middelbare school afkwam, woog ik rond de 85 kilo, en nam ik me voor om in plaats van te diëten, een gezonde relatie met eten te ontwikkelen. Maar het was mijn eerste studentenjaar, het eerste jaar van op mezelf wonen, voor mezelf koken. 4 dagen per week at ik met anderen, dat was nog redelijk gezond, en ik ontwikkelde me zelfs als keukenprinses. Maar in de weekenden en tussen de maaltijden door greep ik naar ongezonde keuzes, pizza en chocola. In mijn studententijd lukte het me nog heel slecht om voor mezelf te zorgen, mijn kamer was een permanente rotzooi, mijn studie ging slecht, en ook met andere vormen van zelfzorg, zoals voeding en beweging ging het niet goed. Later heb ik geleerd dat autisten gebrekkige executieve functies hebben, en daarom meer moeite hebben met dat soort dingen.

Een paar jaar later at ik niet zo vaak meer met medestudenten, maar had ik nog wel een gedeelde keuken. Ik vond het lastig om voor mezelf ruimte te claimen. Medebewoners vonden vaak dat zij voorrang hadden, omdat ze voor meerdere mensen kookten, of zorgden voor zooi en overprikkeling in de keuken. In die tijd at ik vaak maaltijden waarbij ik de keuken kon ontwijken. Koude saucijzenbroodjes, pizza’s die ik alleen maar even in de oven moest doen, broodjes van de Subway, maar ook dingen als zakken chips stonden regelmatig op het menu als avondmaaltijd.

Je zou denken dat het beter ging toen ik een eigen keuken had, maar nee. Ik kookte weliswaar vaker, maar liep vaak vast met afwassen (die executieve functies weer). Ook koos ik te vaak voor vet en zoet en was groente lastig. Overprikkeling in de supermarkt hielp ook niet mee om goede keuzes te maken. Zoals ik in deze blog vertel, ging ik zonder plan naar de supermarkt, raakte overprikkeld door alle licht en geluid en greep snel een paar bekende dingen, om zo snel mogelijk weer buiten te staan.

Ik heb ook wel periodes gehad waarin het goed ging, met eten. Diëten gedaan waarbij ik daadwerkelijk afviel, pogingen gedaan om milieubewust te eten, met veel biologische spullen en lokale groenten. Ik hield het alleen nooit lang vol. Vergeet niet dat ik in deze tijd aan het verdrinken was. Ik ging van ongediagnosticeerde depressie naar depressie, had lange periodes met suïcidale gedachten en ook op school ging het slecht. Ik probeerde het wel, maar het lukte maar niet. Nu ik weet dat ik autisme heb, snap ik waarom het niet lukte, maar in die tijd verweet ik alles aan mijn eigen gebrek aan zelfdiscipline. In die tijd was eten het zoveelste onderdeel waarmee ik worstelde, en niet een hoofdprioriteit.

In 2014 kwam ik bij een psycholoog terecht, en die vertelde me dat de meeste depressieve klachten worden veroorzaakt door ongezond eten, te weinig bewegen, en een verkeerd slaapritme. Ik moest dus eerst in die drie onderdelen orde op zaken stellen, en daarna zouden we wel zien wat er overbleef van mijn depressie. Ik heb verder weinig gehad aan deze psycholoog, maar ze maakte me er wel van bewust dat ik een probleem had. Het lukte namelijk niet om haar advies op te volgen. Ging het met bewegen goed, dan gingen eten en studie fout, was ik gezond aan het eten, schoten bewegen en studie er weer bij in. Ik voelde me een jongleur, met één balletje in de lucht en 2 op de grond.

De psycholoog heeft nog iets voor me gedaan: ze verwees me door naar een intensievere therapie. Op die therapie stond bewegen centraal, en mentale zelfzorg. Ik heb daar geleerd om minder streng voor mezelf te zijn en ik ben na deze therapie, nu 4 jaar geleden, ook nooit meer depressief of suïcidaal geweest. Bewegen ging echter alleen goed zolang de therapeuten dat als een soort politieagent controleerden, en voor eten was (te) weinig aandacht.

Na 20 weken werd me plompverloren verteld dat ik het verder wel alleen zou redden, en heb ik me aangemeld bij een gewichtsconsulente. Bij haar heb ik geleerd hoe ik moet eten, wat er in een gezond voedingspatroon zat. In eerste instantie vlogen er bij haar de kilo’s er vanaf, maar het voelde voor mij onnatuurlijk. Ik was de hele tijd aan het proberen om goed te eten, voor de resultaten, maar het was moeilijk en voelde niet als mijn voedingspatroon. Ik had nog niet geleerd om op andere manieren dan met eten voor mijn emoties te zorgen, en het opgelegde voedingspatroon hield ik dan ook niet heel lang vol. Ik greep terug naar fastfood om te emotie-eten, en sloeg vervolgens maaltijden over om op haar weegschaal toch een goed resultaat te hebben. Wat uiteraard niet werkte. Toen ik een keer een afspraak miste en de gewichtsconsulente ook niets meer van zich liet horen, heb ik nooit meer een nieuwe afspraak gemaakt, van uitstel komt afstel.

Wel ben ik weer in therapie gegaan, nou ja, een zelfhulpclubje. Er werd daar erg op gehamerd dat ik een eetverslaving had en dat ik hulp moest zoeken in de verslavingszorg. Dat deed ik, maar uiteindelijk wees de eetverslavingszorg me af als patiënt, omdat ik autisme had (en nee, dat is geen goede reden, autisme en eetproblematiek komen vaak samen voor). Toen heb ik het eten maar een tijdje losgelaten en me vooral op autisme gefocust.

Maar juist toen ik het losliet, ging het beter. Ik kreeg steeds meer kennis over autisme, en over overprikkeling. Ik leerde dat ik juist bij overprikkeling en emotie ging eten. Overprikkeling blijft lastig, maar over emoties heb ik een hoop geleerd op Cognitieve Gedragstherapie. Emotie-eten werd langzaam steeds minder, nu komt het zelden voor (en ik eet relatief gezonde dingen en hoeveelheden als het toch gebeurd). En samen met mijn woonbegeleiders begon ik stapje voor stapje mijn gewoonten te verbeteren.

Zo ben ik fruit gaan eten, dat bleek moeilijk, (autisten zijn vaak moeilijke eters, omdat ze overgevoelig kunnen zijn voor smaak en tastzin) maar elke dag een smoothie, en later zelfs twee maal daags een smoothie, bleek goed te doen. Toen ik de supermarkt uit mijn leven bande, werd zelf koken weer mogelijk, en op tijd afwassen gaat ook steeds beter. Toen kreeg ik, gratis bij de diagnose diabetes, een diëtiste, die mee kon denken welke stappen ik nog meer kan zetten. Dat uitte zich zelfs in licht gewichtsverlies.

Nu wordt het tijd om mijn eten weer een tijdje op de voorgrond te zetten en een echt hele grote stap te zetten. Ik heb een BMI van boven de 60 (de meeste tabelletjes stoppen bij 50, wat super obese heet), en het is onredelijk om van mezelf te vragen al dat overgewicht zelf kwijt te raken. Ik heb gekozen voor een traject waar ik al mijn eetgewoontes moet veranderen, nooit meer een grote portie kan nemen, maar gelukkig ook heel veel steun en begeleiding krijg: binnenkort krijg ik een maagverkleining.

Advertenties

De verbouwing (deel 4)

Deel 1 ging over de verwachtingen en voorbereiding van de verbouwing in mijn appartement, Deel 2 over de realiteit, die veel overprikkelender en stressvoller was dan ik van tevoren had verwacht. Toen kwam deel 3, waarin de verbouwing toch nog niet helemaal klaar bleek te zijn. Dit is deel 4, waarin centraal staat:

Wat heb ik hier van geleerd?

  • Ik heb moeite met communiceren. Ik ben zelden zo vastgelopen op een brief als met de eerste aankondigingen van de verbouwing, maar het komt vaker voor als ik slecht in mijn vel zit, dat sommige post zo stressvol is dat ik eerst een paar dagen of weken in passiviteit verval voordat ik actie onderneem. Sinds een paar maanden is het standaard dat mijn woonbegeleider wekelijks even vraagt of er nog post is waar ik actie op moet ondernemen, en helpt ze me eventueel met het bellen of mailen van een bedrijf.
  • Dat ik soms angstig word van het moeten doen van een telefoontje, is nu hardop benoemd. Voor mijn autismediagnose schaamde ik me hiervoor, en worstelde ik er helemaal alleen mee. Nu weet ik dat het oké is dat ik deze angst heb, en dat maakt het makkelijker voor me om om hulp te vragen. Ik heb mijn woonbegeleider, maar ook vriendin A. en broer Teddy gevraagd namens mij te bellen, maar ik ben ook tot het inzicht gekomen dat ik door positieve ervaringen te hebben over deze angst kan heengroeien. Op momenten dat ik goed genoeg in mijn vel zit, neem ik zelf meer initiatief bij het mailen en bellen, vaak nog wel met mijn woonbegeleider erbij. Als ik slechter in mijn vel zit, weet ik dat het oké is om haar te vragen namens mij te bellen, zonder dat ik me hierover schuldig hoef te voelen.
  • Ik functioneer heel wisselend. De ene dag kan ik alles aan en vraag ik me af waarom ik überhaupt woonbegeleiding nodig heb, maar onder invloed van stress en overprikkeling verdwijnen mijn vaardigheden. Het lukt me dan niet meer om voor mezelf te zorgen en duidelijk te communiceren. Dat is oké. Het helpt om te weten dat dit tijdelijk is, en dat ik als de stress en overprikkeling wegtrekken ook weer meer zelf zal doen.
  • Ik moet beter met stress leren omgaan. Tips zijn welkom.
  • Het is handig als mijn omgeving al van tevoren weet wat ik wel en niet nodig heb op moeilijke momenten. Dat kan ik bijvoorbeeld doen door mijn signaleringsplan, waarin staat hoe ik op prikkels reageer en wat ik dan nodig heb,  met mensen te delen.
  • Het is okee om om meer duidelijkheid te vragen.  Ik slikte gewoon de onduidelijke brieven die ik van de aannemer kreeg, zonder vragen te stellen. Toen mijn woonbegeleider voorstelde om om meer duidelijkheid te vragen, vond ik dat een eng idee, omdat ik me zorgen maakte over hoe dat op anderen overkwam en of het wel gepast was. Ze herhaalde telkens dat het daar niet om ging, maar dat het ging om wat ik nodig heb. Ik mag gewoon accepteren dat ik meer duidelijkheid nodig heb dan de meeste mensen, en om die duidelijkheid (laten) vragen.
  • Ik hoef niet andermans grenzen te bewaken. Het is makkelijker om om hulp te vragen als ik het niet mijn verantwoordelijkheid maak om de grenzen van mijn vrienden te bewaken, maar er op vertrouw dat ze dit zelf ook aangeven. Ik zegde een afspraak met vriendin A. af, omdat ik bang was dat ze genoeg van me zou krijgen als ik haar te vaak zag. Maar gelukkig had ik door dat ik om de verkeerde redenen afzegde, en heb ik uiteindelijk laten weten dat ik toch kwam. Tegenwoordig zien we elkaar soms wel 3 keer per week, en maak ik me veel minder zorgen of ik niet te veel langskom. Als dat zo is, dan hoor ik het vanzelf wel.

Nee, de verbouwing van mijn appartement wordt nooit een favoriete herinnering. Ik voel me nog steeds akelig als ik terug denk aan hoe ik me toen voelde. Maar ik probeer te focussen op het positieve, ik heb ook ontzettend veel van deze ervaring geleerd. En dat kan ik in de toekomst ook toepassen op andere situaties.

 

 

aphantasia

Ik hou niet van beelden. Foto’s, plaatjes, ik heb er weinig mee. Vaak vind ik ze zelfs verwarrend.

Waarom laat je me juist deze foto zien? Waar moet ik op letten? Hoe word ik geacht te reageren? Een afbeelding is volgens het spreekwoord gelijk aan duizend woorden, en dat is misschien wel het probleem. Er is te veel informatie, allemaal tegelijk, en zonder rangschikking. Ik weet niet wat ik er mee aan moet.

Dat ik hierin afwijk van de norm, dat is me al heel lang duidelijk. Ik dacht dat het misschien met mijn gezichtsblindheid te maken kan hebben, of met mijn autisme. Maar de meeste autisten blijken juist beeld-denkers te zijn, die moeite hebben met woorden. Ik wijk dus af, ook van de gemiddelde autist.

Als jij je ogen sluit, en aan een appel denkt, zie je dan een appel? En als je aan de kleur groen denkt, zie je dan de kleur groen? Ik niet. Ik heb geen beelden in mijn hoofd. Ik denk aan het begrip appel, en aan het concept groen. In woorden en in woordloze gedachten, maar niet in beelden. Met mijn ogen dicht zie ik niks.

Laatst kwam ik per toeval tegen dat er hier een woord voor bestaat. Aphantasia. Ik vind het geen mooi woord, want het suggereert dat ik geen phantasia, fantasie zou hebben. Maar dat heb ik zeker wel, ik heb een levendige fantasie, in woorden en gebeurtenissen, niet in beelden. Met een meditatie die suggereert dat ik mezelf op een strand moet visualiseren kan ik niets, maar ik kan me wel inbeelden dat ik iemand op het strand tegenkom en met hem een gesprek voeren.

Ik heb geen beelden in mijn hoofd. Geluiden en geuren wel, maar ze zijn vluchtig. Moeilijk op te roepen, en moeilijk vast te houden. De naam voor mijn afwijkende brein is aphantasia. Nu ik dat weet, kan ik op onderzoek uit. Ik luister naar een paar youtubevideo’s, en lees een forum erover, maar verlies al gauw interesse. Ik wist al lang dat mijn brein anders was. Dat ik aphantasia heb, is niet wereldschokkend of verbazend. Het is geen tragedie, of een onzichtbare handicap.

Ik ben tevreden met mijn brein zoals het is.

Waterverspilling

Het is lastig om dingen te bedenken die goed helpen tegen overprikkeling. Je terug trekken uit de prikkels, dat helpt. Rust nemen, zonodig zelfs slapen.

Je kunt ook een positieve prikkel gebruiken om minder overprikkeld te raken. Veel autisten hebben een deken die expres zwaar gemaakt is, dat drukt zwaar op je huid. Zo’n deken is nogal duur, en ik weet niet of hij bij mij ook zou werken. Voorlopig maar niet kopen dus.

Er is ook stimmen, ritmisch bewegen wat veel autisten helpt. Ik stim tegenwoordig af en toe, maar het voelt onwennig, ik ben nog te veel bezig met denken hóé ik moet bewegen, in plaats van mezelf te verliezen in de beweging.

Een positieve prikkel die bij mij wel helpt, is eten. Zoetigheid en vet, zijn twee heerlijke smaken. Bij overprikkeling veel fastfood eten, dat doe ik nog weleens. Maar ja, gezond is het niet. Ik probeer gewicht te verliezen, en dit helpt daar niet bij.

Dan blijft er nog maar één ding over, waarvan ik zeker weet dat het helpt. Water op mijn huid. Het liefst uit een zo hard mogelijke douchestraal. Dat is een heerlijk gevoel, en het is alsof ik de overprikkeling samen met het water in het doucheputje zie verdwijnen. En als ik moe ben en staan te veel werk wordt, ga ik er ook rustig bij zitten, op de badkamervloer. Dan kan ik 20 minuten of langer de wereld even vergeten en opgaan in de waterstralen. Vaak ben ik daarna dan genoeg ontprikkeld om weer een (rustgevende) activiteit te ondernemen.

Tegenwoordig voel ik me steeds vaker schuldig over mijn manier van ontprikkelen. Het nieuws staat vol met woorden zoals droogte, waterschaarste, watertekorten, en oproepen om zuinig te zijn. En daar zit ik dan, op mijn badkamervloer met de douchekraan open, water te verspillen.

Het spijt me wereld, ik wist dat ik een betere manier van ontprikkelen wist. Voor nu blijf ik, ondanks mijn schuldgevoel doorgaan met mijn douches. Maar ik hou wel mijn ogen en oren open, en als ik andere manieren van ontprikkelen tegenkom, zal ik ze op zijn minst eens proberen.

Wasmachine

Het is zaterdagmorgen. Ik ga vanmiddag naar mijn zus, en voor die tijd moet ik alleen nog even de was ophangen. Ik heb gisteravond de was erin gedaan, met een timer, dus hij moet nu klaar zijn. Mijn wasmachine is buiten mijn eigen appartement. Ik moet de gang door, en daar staat hij, in een zaaltje met nog 4 andere wasmachines. Wel elk aangesloten op de stroom en water van het appartement waar ze bij horen.

Ik doe de deksel open, en wat gek, mijn was is nog droog. Ik draai aan de knoppen om hem opnieuw aan te zetten, maar er gebeurt niks. Geen lampjes, geen reactie, wat ik ook doe, mijn wasmachine geeft geen kik.

Paniek. Een kapotte wasmachine, dat is duur. En moet ik hem laten repareren, of een nieuwe kopen? Dat ik online een wasmachine kan kopen en morgen al kan bezitten, dat is een troost. Maar wat zijn die dingen duur. Bovendien zijn alle wasmachines die ik online zie anders dan de wasmachine die ik heb, en ik heb geen behoefte aan verandering. Repareren dan maar? Ik zoek wat reparateurs op, maar dat ziet er ook duur uit. Bovendien is er het praktische probleem van schone kleren. Ik heb mijn laatste schone stel aan, de rest moet allemaal gewassen worden. Bij een vriendin wassen? Wat een gedoe!

Ik leid mezelf af van alle gedachten en moeilijke keuzes, en speel een computerspelletje. Dan raap ik al mijn moed bij elkaar, en bel ik de winkel waar ik mijn machine gekocht heb. Volgens mij doen ze ook reparaties. De man aan de telefoon vraagt om het typenummer, dus loop ik al bellend terug naar mijn wasmachine. Hij kan maandag al komen, maar waarschuwt wel dat het waarschijnlijk foute boel is. Wat ik omschrijf, is waarschijnlijk een kapotte printplaat, en dat is prijzig. Terwijl hij praat, valt mijn aandacht ineens op een snoer. Waarom ligt er hier een stekker op de grond? Ik steek hem in het stopcontact, en alle lampjes op mijn wasmachine beginnen te branden. Ik rond het telefoongesprek af, blij dat mijn wasmachine toch niet kapot is, en zet mijn was opnieuw aan. Me afvragend wie er aan mijn stekker heeft gezeten, verlaat ik het pand voor een middag bij mijn zus.

Ik kom pas laat thuis, 10 uur. Nog de was ophangen, en dan kan ik gaan slapen. Maar, mijn was is helemaal niet klaar. De stekker ligt er opnieuw naast. Zondag probeer ik opnieuw te wassen. Als ik twee uur later terugkom bij de machine, zit de stekker er nog wel in, maar is er weer niet gewassen. Bovendien laat hij een piep horen, die ik niet kan plaatsen. Ik reset het menu, en probeer het nog een keer. Maar nu begin ik me af te vragen, als ik weer op de bank zit, of het water wel aangesloten is. Als iemand met de electriciteit kan klooien, dan misschien ook met het water. Ik loop terug naar de wasmachine, die dezelfde piep maakt als eerder, en aangeeft dat het programma is beëindigt. Ik draai aan de waterkraan, en zet de machine opnieuw aan. Nu pas wordt er echt gewassen, en zondagavond kan ik eindelijk de was ophangen die ik vrijdag al in de machine deed.

Ik blijf achter met stress en vragen. Wie heeft er aan mijn wasmachine gezeten? En waarom? Mijn eerste gok is de buurman die naast de wasmachineruimte woont, misschien had hij er last van dat ik ’s nacht waste. Maar waarom dan zo? Hij had eenvoudig het programma kunnen pauzeren. En ik was wel vaker ’s nachts, ik heb er tot nu toe nog nooit klachten over gekregen.

Ik zit slecht in mijn vel. Ik ben boos, op de buurman die ik als vermoedelijke dader zie, maar meer nog op mijn eigen onvermogen. Ieder ander zou bij de buurman aanbellen en verhaal halen. Ik niet, ik durf dat soort dingen niet. Betekent dat dat ik niks doe? Dat mensen zomaar de stekker uit mijn wasmachine kunnen halen, en ik niet eens reageer? Het voelt niet goed, maar dat is inderdaad wat er gebeurt. Het blijft me dwarszitten.

Maandagavond ben ik onderweg naar vrijwilligerswerk. Net als ik langs de deur van de buurman wil lopen, gaat de deur open. Ik haal diep adem, en doe dan toch wat ik niet durfde. ‘He, weet jij misschien of er iemand aan mijn wasmachine heeft gezeten?’

We praten 5 minuten. Ik met tranen in mijn ogen, van de spanning van het aanspreken van de buurman. Hij zegt dat hij ‘nu ook ziet wat het met jou doet’. Hij was inderdaad degene die de stekker er heeft uitgetrokken, omdat hij gek werd van de piep. Het water was toen dus al afgesloten, daar heeft hij niets mee te maken. Wie dat gedaan heeft, en waarom, is nog steeds een mysterie. Ik beloof hem dat ik niet meer ’s nachts was, en hij zegt dat hij de volgende keer mijn wasmachine uit het raam gooit. Hij is nog steeds boos, maar we zijn door dit gesprek tot iets dichter bij elkaar gekomen.

Het blijft een vervelende geschiedenis, maar ik heb mezelf twee keer overwonnen. Eerst door een reparateur te bellen, later door mijn buurman aan te spreken. Ik kan meer dan ik durf, dat moet ik onthouden.

De verbouwing (deel 3)

De verbouwing is voorbij, en ik heb een maand later genoeg rust en overzicht om over mijn ervaring te bloggen. Het is eind januari, en ik schrijf in één week de eerste versie van deel 1 , waarin ik over de aanloop naar de verbouwing schrijf, deel 2, waarin de verbouwing zelf plaatsvindt, en het laatste deel, waarin ik schrijf dat ik ook nog wat van het hele gebeuren geleerd heb. Dat klinkt redelijk compleet, waarom komt er dan ook nog een deel?

Omdat ik een brief kreeg. Eind januari, in de week dat ik die blogs aan het schrijven was. Nadat ik al een volle maand gedacht had dat de verbouwing afgerond was. De brief was vaag, ik wist niet eens zeker dat ze in mijn appartement moesten zijn. Mijn woonbegeleider belde om uitleg, en we kwamen erachter dat het raam in mijn gang vervangen moest worden. Toen nam mijn woonbegeleider afscheid, en nam tijdelijke begeleider T. het stokje over. (Over de wisseling van woonbegeleiders heb ik ook een keer geschreven, dat kun je hier lezen.)

Met T. overlegde ik dat ik niet nog een keer aanwezig wilde zijn bij een verbouwing, al was het nog zo’n kleine ingreep. Hij belde het bedrijf voor me, en regelde dat ik de sleutel ergens kon inleveren. Ook dat inleveren deed hij voor me.

Op donderdag zouden ze tussen 9 en 11 bezig zijn. Al om 8 uur werd er een hoogwerker tegen het gebouw gezet, dus vluchtte ik weg. Ik doodde tijd in de bibliotheek en in winkels. Ik had geregeld dat ik bij een vriendin welkom was, maar haar man was ziek, dus dat kon helaas toch niet doorgaan. Wel dronken we samen thee in de stad. Om 11 uur namen we afscheid, ik kon in theorie nu naar huis gaan. Maar ik durfde nog niet. Nog een uur doodde ik met winkelen, toen fietste ik, behoorlijk moe, naar huis.

Vanaf mijn fiets zag ik de hoogwerker al staan. Ze waren dus nog niet klaar. Wat nu? weer wegfietsen? Waarheen? Ik was te moe en overprikkeld voor nog meer winkels. De hoogwerker was niet op mijn verdieping, maar op die erboven bezig, dus ik beredeneerde dat ze bij mij al klaar waren. Maar toen ik mijn voordeur opende, zag ik een nieuw raam naast de voordeur, en aan de andere kant ervan een man, die stond te zwaaien. Ik schrok, en rende naar de woonkamer, hield de deur naar de gang dicht.

Nu kon ik de man niet meer zien, maar hij was er nog wel. Ik moest eigenlijk naar de wc, maar ik wilde niet weer door de gang lopen. Ik wilde ook wel weer wegvluchten, mijn huis uit, maar ook dan moest ik door de gang met die man aan het andere kant van het nu doorzichtige raam. Bovendien had ik nergens om heen te gaan.

 

Ik zat op de bank. Ze waren vast zo klaar. Ik moest maar eens gaan lunchen. Toen ging de deurbel. Niet de intercom, waarbij je met een schermpje eerst kunt kijken wie er is, maar de deurbel van mijn voordeur. Ik wist niet wat ik moest doen.. Ik was labiel en gestresst, en net als bij het vorige deel van de verbouwing, was ik bang dat als ik nu met een vreemde zou moeten praten, ik niet anders zou doen dan huilen.

Ik deed dus niet open.  Bleef zitten op de bank. Maar toen hoorde ik het geluid van een sleutel die in het slot werd gestoken. Mijn voordeur ging open. Een onbekende was in mijn gang, en als ik nu zou verraden dat ik thuis was, zou het alleen maar awkward worden, ik had immers niet opengedaan. Ik bleef verstijfd zitten. Wilde eigenlijk naar mijn slaapkamer vluchten, onder mijn bed gaan kruipen, maar dat zou geluid maken.

Ik hoorde niks meer op de gang, na een paar minuten al niet meer. Toch kon ik niet zeker weten dat hij weg was. Ik besloot minstens een uur te wachten. Als ik een uur lang niets hoorde, was hij vast weg. Van 10 over half 1, tot tien over half 2 zat ik daar, op de bank. Te bang om geluid te maken en tegelijk doorhebbend hoe belachelijk dat was.Toen opende ik voorzichtig de gangdeur, eerst op een kiertje. Tot mijn opluchting was er niemand. Ik deed de deur verder open. Bekeek verbaasd mijn nieuwe raam. Wat een uitzicht had ik opeens.

 

Koffie

Ik ben op papier lid van een kerk, en al ga ik nooit naar de diensten, ik probeer via de kerk wat meer contacten te krijgen. Daarom word ik begin juli aangemoedigd om mee te gaan naar de koffieochtenden die de hele zomer gehouden worden.

De eerste keer word ik opgehaald, omdat ik van mezelf weet hoe moeilijk ik het vind naar iets nieuws te gaan. De andere keren lukt het me wel om zelf te gaan, wat al een overwinning op zich is. In totaal ben ik 4 van de 6 keer aanwezig.

Er zijn inclusief 2 vrijwilligers, tussen de 6 en de 10 mensen. Voor mij een grote groep. Ik heb mijn leven zo ingericht dat ik meestal maar met 1 of 2 mensen tegelijk praat. Activiteiten waar meer mensen aanwezig zijn vermijd ik vanwege angst of overprikkeling. De eerste keer vind ik het ook behoorlijk overprikkelend, vooral als mensen door elkaar praten. Ook vind ik het moeilijk een gesprek te beginnen of op gang te houden.

Toch ga ik terug. Het is een relatief kleine groep, en een veilige setting. Bovendien is mijn agenda deze zomer behoorlijk leeg, dus kan ik het er best bij hebben. Ik besluit het te zien als oefening in contact leggen. Elke week is het iets makkelijker om te gaan, ervaar ik minder angst, en gaan de gesprekken me iets beter af. Ik begin andere vaste gasten te herkennen, en zij mij. Vond ik het de eerste keer vooral moeilijk, de laatste keer vond ik het vooral leuk.

Wel merkte ik dat het me zoveel energie kostte dat ik de rest van de dag bijna niks meer deed. Het sporten dat ik meestal op dezelfde dag had gepland ging dus ook niet door. Maar dat geeft niet. Sporten is moeilijk, maar mezelf sociaal uitdagen ook. Het bewegen heb ik op andere momenten ingehaald. Ook zonder te sporten heb ik mezelf uitgedaagd, en iets gedaan wat goed voor me was.