Kleine keuzes

Ik zit op mijn bed, net terug uit de badkamer, helemaal klaar om te gaan slapen. Nou ja, bijna. Ik wil nog een beetje bodylotion smeren en een slok water drinken. Makkelijk zat, zou je denken. Maar nee. Want welk van de twee doe ik eerst?

 

Ik kom ‘em vaker tegen. De arbitraire keuze. Je weet dat de uitkomst helemaal niets uitmaakt en toch kan ik hem niet maken. Water of bodylotion? Bijt ik links of rechts van de eerste hap voor de tweede maal in mijn brood?

Ik kom ‘em ook tegen als er te veel taken gestapeld worden. Ik kijk tv en bedenk me dat ik het volgende reclameblok naar de wc ga. Dan bedenk ik me dat ik dan gelijk dat lege bord naar de keuken kan brengen, want ik loop toch al. En oh, ik kan gelijk wel even mijn telefoon aan de oplader leggen. En wilde ik nou een snack?

Het reclameblok begint en ik doe niets. Want zou ik nou eerst naar de keuken of eerst naar de badkamer? En wanneer pak ik die snack dan? Het volgende reclameblok begint en ik zit er nog steeds, besluiteloos. Het is niet zo dat ik full time aan het nadenken ben over mijn arbitraire dilemma. Mijn hoofd zegt: oh, dit is moeilijk, daar kom ik later op terug en leidt zichzelf vervolgens af. En het zijn juist de kleine keuzes waarbij ik stil val, bij grotere wordt mijn aandacht via piekeren weer terug naar de beslissing geleidt.

Ik heb twee strategieën die me uit deze niet-kiezende verlamming helpen. De eerste: een protocol, algoritme of vaste regel. Rijstwafels eet ik altijd tegen de klok in, brood met de klok mee. Nu ik dat heb bedacht, kan ik weer gewoon dooreten. Als ik afwas, is hetgene wat het meest rechts op het linkeraanrechtblad staat het eerst aan de beurt, gewoon altijd.

De tweede is een dobbelsteen. Weet ik niet welke thee ik wil? 1 is rooibos, 2 is earl grey, 3 citroen. En dan gooi ik een 5, wat in dit geval Earl Grey betekent. Welk artikel wil ik lezen? De dobbelsteen zegt 4, en mijn vierde open tabblad is een autismeblog en die ga ik dus lezen. Het is voor deze methode belangrijk om vóór je gooit te weten welk nummer welk resultaat vertegenwoordigt, je giet je opties dus alvast in een lijstje. Bij meer dan 6 opties kun je meerdere keren gooien of een regel bedenken waardoor er maar 6 opties meedoen bij deze worp. Als je geen dobbelsteen bij de hand hebt, kun je elke digitale klok gebruiken en het laatste cijfer als 10kantige dobbelsteen zien. Maar thuis heb ik al jarenlang op alle belangrijke plaatsen een dobbelsteen klaarliggen. In de keuken. Op mijn laptop. Op mijn bureau en in de la van de tafel.

Ik heb ooit een therapeut gehad die mij mijn dobbelsteen wilde afleren. Ze zei dat kleine keuzes oefeningen zijn voor grote keuzes. En ja, verdraaid, grote keuzes zijn ook ontzettend moeilijk, al loop ik daar op een hele andere manier in vast. Ik heb toen een tijd lang mijn systemen en dobbelstenen proberen te verminderen, maar dat had vooral heel veel inactiviteit tot gevolg. Toen ben ik het maar weer gaan doen, maar zag ik het als slechte gewoonte. Tot ik op een dag las dat Steve Jobs en andere genieën altijd dezelfde kleren dragen of andere strategieën hebben om kleine keuzes weg te halen. Met de gedachte dat al die kleine keuzes energie kosten, die je dan niet aan belangrijke dingen kan uitgeven.

Sindsdien geniet ik gewoon van mijn dobbelsteen en van mijn ‘rigide’ regels. Want geloof me, het is beter dan zittend op je bed in slaap vallen, omdat je nog een slok water en een lik bodylotion wilde.

Advertenties

Storing op de lijn

Een groen blokje naast zijn naam, en een nieuw berichtje. Een oude vriend, die ik al een jaar niet heb gesproken, is eindelijk weer online. Al gauw schakelen we over van chatten naar bellen. In een vorig leven, 2015, 2016, deden we dat urenlang. Tegenwoordig chat ik liever, maar omwille van de nostalgie stem ik toe.

Eerst praten we over hem. Zijn studie, en werk. Dat hij een burn-out had, maar nu therapie volgt. Dan zegt hij: ‘nu jij’.

Nu ik? Wat bedoel je? Wat wil je? Moet ik zomaar uit het niets over mezelf gaan praten? Waarover dan? Ik loop al vast bij de gedachte en ik vraag hem gerichte vragen te stellen.

Hij weigert. Daar wordt het zo gemaakt van.  Een ondervraging. Ik leg uit dat ik vastloop  in alle mogelijke onderwerpen en aanvliegroutes als ik gewoon moet gaan praten, dus een vraag zou helpen. Hij stemt toe en zegt: ‘how have you been lately?’

Dat is nog steeds te vaag, dus ik vraag hem naar de betekenis van lately. ‘The last few months.’ Dat is te breed. Een paar weken of een maand zou me misschien gelukt hebben (normaal niet, maar deze maand heb ik drie weken griep gehad, dus is het wat overzichtelijker dan de meeste maanden), maar een paar maanden?

Ik denk aan de autist die zei dat ze niet snapte waarom autisten moeite hebben met brede vragen, en dat ik toen wees naar de foto in haar hand, een kruising met tientallen wegen.  Ze had de foto net gebruikt om uit te leggen dat keuzes maken zo lastig is en ik zei: ‘dat is precies waarom ik zo’n moeite heb met brede vragen. Er zijn te veel keuzes.’

De andere kant heeft door dat ik er niet uitkom, dus nu volgt er een concrete vraag: ‘hoe gaat het met je been?’ Opgelucht begin ik te vertellen.  Mijn been doet de laatste tijd veel pijn, maar ik doe ook mijn fysio-oefeningen niet vaak genoeg en dan voel ik me daar weer schuldig over, waardoor ik…’

Hij onderbreekt me. Doe je je fysio-oefeningen niet? Waarom niet? Er volgt nu een spervuur van vragen over mijn leefgewoontes. De enige die doordringt is ‘do you go out?’ Ook weer zo’n lastige vraag, want uitgaan kan heel verschillende dingen betekenen. Ik stamel ‘no’. ‘You never go out? Not to your friends? Not to the gym, the movies, do you ever go for a walk?’

Te veel. Te snel. Ik antwoord niet, ik heb geen tijd of rust om zijn vragen te verwerken. Ik voel me opgejaagd. Ik was in mijn hoofd nog bij het uitleggen van de fysio-oefeningen, dat heb ik nog maar half uitgelegd en nu wil hij allemaal andere dingen weten. Ik weet niet wat ik moet zeggen, dus zwijg ik.

Ik probeer door stil te zijn even wat rust te creëren om mezelf te herpakken en dan misschien verder te kunnen met het telefoongesprek, maar dat komt niet over. Ik ben me er niet van bewust dat de stilte te lang duurt, dat het gek is dat ik niets zeg. Voor mij is het niet stil, ik ben bezig alle vragen die hij stelt te verwerken en te kiezen waar ik moet beginnen met antwoorden geven.

‘Hello? Hello? Hello? Hello? Hello? Hello? Hello?’

Hij zegt het op normaal volume, maar op mij komt het nu over als schreeuwen. Hij heeft me net gebombardeerd met informatie (kennelijk zijn vragen ook informatie) en nu voegt hij daar een hoop geluid aan toe. Ik heb een paar maanden geleden ook een keer een skype-gesprek gehad dat op deze manier mis ging, dus dit keer weet ik wat ik het best kan doen. Ophangen.

Geen uitleg, geen excuses, zelfs geen doei. De verbinding is abrupt verbroken. Voor mij een verademing. Ik heb ook gelijk genoeg rust in mijn hoofd om hem – typend-  uit te leggen wat er mis ging. En het verhaal over de been en de fysio-oefeningen af te maken (de clue: ik doe ze nog steeds niet vaak genoeg, maar wel steeds vaker).  Ik zeg dat ik misschien later op de avond nog een keer wil proberen te bellen, maar het het komende uur bij de chat houd, gelukkig stemt hij daar mee in.

Ik baal van de gebeurtenis. Kan ik nou niet eens meer een simpel telefoongesprek aan? Voor ik kennis had over autisme gebeurden dit soort dingen toch ook niet?! Jawel. Maar ik ben voor die diagnose nog nooit zo eerlijk geweest over wat er mis ging. Ik zou nog wat langer hebben geprobeerd te praten, en pas weggeklikt hebben op het moment dat ik echt niet meer kon. En het niet uitleggen, nee, ik zou achteraf hém de schuld hebben gegeven. Iets gevonden hebben in zijn woorden waarop ik boos kon worden, en ons beiden er van overtuigd hebben dat mijn gedrag een gepaste reactie was op zijn gedrag.

Dat hoeft nu niet meer. Dankzij mijn kennis van overprikkeling kon ik het gesprek beëindigen toen ik nog enigszins functioneerde en per chat uitleg geven. En de avond kon gevuld worden zonder onnodige ruzie, maar met een fijne chat.

Hinkelbaan

Vroeger speelde ik vaak op een hinkelbaan. Zo een die je zelf tekent, met stoepkrijt. We maakten een baan met 10 vakken en gooiden dan een stokje. Het stokje kwam neer op het vakje dat je moest overslaan. Ik heb een hele slechte motoriek en ik was overduidelijk veel slechter in dit spel dan mijn vriendinnen. Ik had er ook altijd een hekel aan, precies daarom. Maar toen ik het vaker deed, met alleen mijn beste vriendin, begon ik langzaamaan steeds beter te worden. Nooit zo goed als de andere kinderen, hun stokjes lagen al op vakje 9, terwijl ik vak 3 telkens over moest doen. Dat is precies waarom ik nu de hinkelbaan gebruik als metafoor voor de dingen in mijn leven die ik moeilijk vind.

 

Vakje 1. Drink genoeg water of andere vloeistoffen. Tegenwoordig spring ik, zonder te denken over dit vakje heen. Ook op een slechte dag, waarop bijna niks goed gaat, krijg ik meestal wel genoeg vocht binnen. Toch is dit iets waarmee ik jaren heb geworsteld. Pas toen ik op mijn 18e een speciale interesse voor thee ontwikkelde, begon dit een beetje goed te gaan.

Vakje 2. Hou een dag-nachtritme in stand. Moeilijk. Doordat mijn energie van dag tot dag flink kan verschillen, is de ene nacht veel langer dan de andere. Ik ga nu op een vaste tijd naar bed, en bij het opstaan probeer ik naar mijn lichaam te luisteren of ik genoeg slaap heb gehad. Maar als ik een paar dagen lang slecht in mijn vel zit, of ’s avonds emotioneel ben om de een of andere reden, dan kan mijn ritme gaan schuiven.  Dan zit ik ineens weer om 2 uur ’s nachts nog steeds op het internet.

Vakje 3. Hygiëne. Dit was ook al zo’n moeilijk vakje, vroeger.  Tegenwoordig weet ik precies hoe ik moet springen. Elke avond voor het slapengaan douche ik me, dat is veel makkelijker sinds ik een eigen badkamer heb.

Vakje 4. Eet rond vaste tijden. Dit gaat nog niet eens om gezond eten, maar om ritme.

 

Zo gaat het door op de hinkelbaan. Aankleden. Huishouden, Gezonde keuzes maken. Bewegen. Sociale contacten onderhouden. Op een gezonde manier omgaan met mijn hobby’s. Op goede dagen zijn die eerste stappen makkelijk te doen, behoeven ze weinig actieve aandacht. Op slechte dagen verlies ik mijn evenwicht, is elk vakje een mogelijk struikelblok. Als ik te veel dagen achter elkaar struikel, zijn er steeds meer makkelijke vakjes die ineens moeilijk zijn. Struikel ik zelfs weer over dat water drinken.

Maar, op goede dagen, of op middelmatige dagen met de juiste hulp, gaat het hinkelen steeds beter. Ik doe het niet meer alleen, maar heb mensen om me heen die weten wat ik moeilijk vind. Tegenwoordig struikel ik niet meer áltijd over het vakje ‘fruit eten’. Tegenwoordig hinkel ik het vakje ‘stofzuigen’ af en toe moeiteloos voorbij. Dat leek een paar maanden geleden nog onmogelijk.

Ik kom steeds verder op mijn hinkelbaan en probeer maar niet te letten op al die mensen die er amper een uitdaging in lijken te zien. Als ik dat doe, als ik ga balen dat ik worstel met stappen die voor een vrouw van mijn leeftijd toch makkelijk zouden moeten zijn, raak ik mijn evenwicht weer kwijt.

En voor je het weet lig ik weer op de grond, zijn alle vakjes weer bijna onmogelijk. Inmiddels weet ik wat ik dan tegen mezelf mag zeggen. ‘Geeft niet Corina. We beginnen gewoon weer opnieuw.’

De kerktoren

Toen ik naar mijn tweede studentenkamer verhuisde, was hij daar: de kerktoren. Ik had een dakraam en zolang ik niet op mijn bed ging staan, zag ik alleen maar lucht en een ander dak, maar het lukte de spiegel die aan de muur hing wel. Op een of andere manier hing die precies goed om de kerktoren in beeld te brengen. Ik had geen klok op mijn kamer. Tenminste, er hing geen klok. De kerkklok in mijn spiegel hing op de plek waar je op mijn kamer best een klok had kunnen verwachten. Ik keek dus klok in spiegelbeeld. Sindsdien is het toch een beetje ‘mijn kerktoren’.

Dat veranderde niet toen ik naar het volgende studentenhuis verhuisde. Ik woonde nog steeds dichtbij genoeg om de kerkklokken te horen, maar ik kon hem niet meer zien. Ik hing een plastic klok aan de muur om de tijd meer bij te houden, maar ik bleef ervan overtuigd dat ik en de toren een speciale band hadden.

Soms voelt het een beetje als thuiskomen, als ik die toren zie. Vooral als ik in de trein zit, dan is die toren het eerste van de stad dat zichtbaar wordt, en dan weet ik: ik ben bijna thuis. Ook als ik op de fiets weg ben, moet ik op de terugweg vaak een flink eind in de richting van de toren fietsen. Die rol spelen de kerk en haar toren ook in mijn dromen. Als ik in een droom verdwaal, zie ik vaak ineens in de verte deze toren, waarna ik mijn weg weer terug begin te vinden.

Ik verhuisde weer, dit keer naar een studio, en kon de toren niet meer horen. Dat vond ik wel heel jammer, zeker in het begin. Ik woonde nu wel binnen geluidsbereik van twee andere torens, een daarvan had een carillon. Dat vond ik vreselijk. Ik was in die periode (okee, en nu nog steeds) extreem snel overprikkeld door geluid, en vaak was dat carillon, dat de hele zaterdag liedjes speelde om het winkelend publiek te vermaken, veel meer dan ik aan kon. Dan zat ik maar weer met oordopjes achter mijn computer in de hoop het geluid te ontwijken, wat altijd maar deels lukte.

Deze woning was ook vanwege andere geluidsbronnen absoluut niet geschikt voor mij, dus de verhuisdozen werden weer gepakt. Door op elke lootwoning van de woningbouw te reageren, kwam ik terecht waar ik nu woon. Het was dus geen bewuste keuze weer zo dicht bij die kerk te gaan wonen, maar mooi toeval. Ik en mijn kerktoren waren herenigd. De plastic klok had ik al lang niet meer, er waren te veel momenten waarop ik zo overprikkeld was dat ik haar getik niet kon verdragen en de batterij eruit haalde. Maar door de jaren heen had ik mezelf ook een andere manier van tijd bijhouden aangeleerd: op gehoor.

Als ik ’s nachts wakker werd, hoefde ik geen licht aan te doen of op een schermpje te kijken om te weten hoe laat het was. Gewoon even in het donker liggen tot ik ‘em hoorde slaan. En ik wist waar ik was in de nacht en hoe lang ik nog kon slapen. Hetzelfde gebeurde overdag. Elk half uur liet hij mij subtiel horen dat er weer dertig minuten verstreken waren. Het was geen exacte manier van klokkijken, want drie slagen kon zowel half drie als drie uur betekenen, en probeer maar eens 11 van 12 slagen te onderscheiden als je niet actief aan het meetellen bent, maar het was genoeg om globaal bij te houden hoeveel dag er al was verstreken.

Sinds een half jaar staat de klok stil zodat de toren gerestaureerd kan worden. Hartstikke belangrijk, maar ik mis hem. Ik mis regelmatig het begin van het nieuws, omdat de kerkklok niet om 6 uur sloeg en ik precies op tijd de tv aanzette om alle reclames, maar niets van het nieuws te missen. Ook komt het vaak voor dat ik denk dat het ongeveer een bepaald tijdstip is, maar er dan uren naast blijk te zitten. Ik heb een ouderwetse wekker op mijn slaapkamer gezet, zodat ik ’s nachts in één oogopslag de tijd kan zien. Ik ben een horloge gaan dragen en vroeg me af hoe ik het al die tijd zonder gedaan heb. Oh ja, de kerkklok.

Ik weet niet helemaal zeker of ik hem mis. Dat hij nooit meer twintig minuten lang slaat, om een kerk- of rouwdienst aan te kondigen is heerlijk. En tijdens een migraineaanval of zware overprikkeling is het ook wel prima dat er nu één geluid minder in mijn leven is. Het moeilijkst was het de eerste weken, toen ik nog gewend was aan een werkende kerkklok. De eerste twee dagen voelde ik me een beetje verloren, maar toen las ik in de plaatselijke kranten dat de toren gerestaureerd zou worden, en dat dat in oktober (2018) klaar zou zijn. Dat hielp. Ik had duidelijkheid: een wat, waarom en een wanneer.

Het wanneer klopte niet. Oktober bracht weer meer onzekerheid, omdat ik niet wist wanneer precies de klok weer zou slaan, maar oktober ging over in november, en de toren bleef zich stilzwijgend in steigers hullen. Inmiddels ben ik erachter wat het probleem is: er was veel meer verzakking, en dus veel meer werk. Nu zeggen de kranten dat het misschien wel tot april 2020 duurt. Dan zal de klok zeker niet meer in mijn ritme zitten, en zal ik de eerste weken weer flink moeten wennen. En deze stad kennende, zullen ze de klok de eerste weken extra veel en vaak slaan, om te vieren dat hij terug is. Zal ik dan blij zijn dat ‘mijn’ kerkklok het weer doet, of balen van de extra prikkels? Daar kom ik te zijner tijd wel achter. Voorlopig zal ik maar gewoon de tijd bijhouden zoals de meeste mensen dat doen: met mijn ogen.

Executieve functies

Motivatie?

‘Je bent heel gemotiveerd.’ zegt de vrouw bij wie ik een intake heb voor woonbegeleiding. Open heb ik aan haar verteld wat de gebieden in mijn leven zijn waarmee ik het meest worstel, al jarenlang. Huishouden en een gezond eet- en leefpatroon ontwikkelen en in stand houden. Volgens mij zijn dat basisvaardigheden die ik gewoon zou moeten kunnen, maar de ervaring leert dat het met mij vaak op één van die gebieden goed gaat, maar dat de andere verwaarloosd worden. Ik zag dat al jarenlang als persoonlijk falen, maar kennelijk is het ook iets autistisch. Bij mijn diagnose kreeg ik het advies om woonbegeleiding aan te vragen, en nu zitten we hier.

Ik beaam haar woorden. In een gesprek als dit klínk ik inderdaad behoorlijk gemotiveerd. Ik vertel openhartig over mijn problemen, ondanks dat ik me daar best voor schaam. Ik benoem eerdere pogingen ze op te lossen, en mijn huidige inzichten erover (ze moeten gewoon gewoontes worden). Ja, ik klink behoorlijk gemotiveerd. Maar ben ik dat ook?

Terwijl ik dit schrijf, staat de afwas van pak ‘m beet een maand me aan te kijken, heb ik alweer twee maanden niet gestofzuigd. Mijn voet doet pijn omdat ik mijn fysio-oefeningen verzaak, het gezonde eten dat ik gekocht heb ligt langzaam weg te kwijnen in de koelkast. Ben ik echt gemotiveerd? Als ik zo graag een schoon huis wil, waarom pak ik niet nu direct de afwasborstel? Als ik bewegen en gezond eten zo belangrijk vind, waarom doe ik ze dan niet? Ja, als ik nadenk, als ik praat, als ik plan, kan ik heel gemotiveerd klinken, maar de praktijk blijft weer eens hopeloos achter.

Frustratie

Het is geen nieuw probleem. Lang geleden, tijdens mijn studie, bevond ik me eeuwig in een spiraal van plannen en achter lopen op die planningen. Ik was slim genoeg, had tijd genoeg, en (toen nog) energie genoeg, dus ik vond maar geen verklaring voor mijn gedrag behalve: uitstelgedrag, luiheid, gebrek aan motivatie, schuldgevoel en schaamte daarvoor. De studie is opgegeven, maar de schuld en schaamte blijven. Ik heb geen enkele goede reden voor mijn gedrag. Ik ben eeuwig gefrustreerd, omdat mijn motivatie kennelijk altijd te kort schiet, en het me maar niet lukt die simpele basisgewoonten in stand te houden.

Maar, het is geen persoonlijk falen. Het is iets waar veel autisten mee schijnen te kampen. Maar, waarom dan? Executieve functies.

Gebrekkige Executieve Functies

Dit filmpje werd bij psycho-educatie getoond, en was mijn eerste kennismaking met het begrip. Veel van de bronnen die ik in de eerste maanden na mijn autisme-diagnose raadpleeg, benoemen het begrip kort, maar gaan er niet heel diep op in (ze beschrijven wel vaak problemen die ontstaan door een gebrek aan executieve functies, maar zonder expliciet het begrip te noemen, waardoor ik ze als beginnende autismekenner nog niet hiermee in verband breng.)

Cynthia Kim (een Amerikaanse autisme-blogger) schrijft in haar boek Nerdy, Shy and Socially Inappropiate dat het begrip een verzamelnaam is van allemaal dingen in het plan- en uitvoerdeel van het brein. Ze benoemt: werkgeheugen, aandacht, mentale flexibiliteit, fouten opsporen en corrigeren, je kennis toepassen op de huidige situatie, gedragsremming, starten, stoppen of schakelen tussen activiteiten, plannen, problemen oplossen, verbaal redeneren.

En al die dingen lopen bij autisten (maar niet bij alle autisten, en ook bij sommige niet-autisten) minder soepel dan bij de meeste mensen. Het is een hele waslijst, maar ik herken ze bijna allemaal. Ineens klinkt het niet meer zo heel gek dat ik zoveel moeite heb met ‘simpele’ taken. Mijn executieve functies werken gewoon niet zo goed. Kan ik daar iets aan doen? Kim zegt dat executieve functies niet aan te leren zijn. Andere bronnen spreken haar tegen, dus ik ben er nog niet uit (en nog niet over uitgelezen).

In ieder geval kan ik wel gewoonten aanleren die me helpen de problemen op dit vlak te managen of te omzeilen. Hulp accepteren van mijn woonbegeleider. Taken opdelen in hele kleine stapjes. En blij zijn met kleine overwinningen, in plaats van te balen van wat nog niet lukt. Zo gaat de was doen op een vast moment (in plaats van als mijn kleren op zijn) nu al een jaar lang wél goed. En heb ik in de drie dagen die het me kostte om deze blog te schrijven de fysio-oefeningen wel weer twee keer gedaan.  En daar mag ik best een beetje trots op zijn.

 

Thuis bezorgen?

Ik zou zo graag al die prikkels overwinnen. Dat ik op een dag een winkel binnenstap en denk: ‘ik kan me bijna niet meer voorstellen dat ik hier vroeger moeite mee had.’

Ik probeer van alles. Eerst die koptelefoon, flinke smak geld, maar het helpt. Ik luister tegenwoordig weer eens muziek voor mijn plezier, omdat ik de geluiden van en om het huis beter kan wegfilteren.

Later leer ik dat medicijnen een optie zijn. Lichte doses antipsychotica. Ik wil het wel proberen. Na een paar maanden vertraging krijg ik een psychiater en een door hem voorgeschreven pil. Het helpt. Niet genoeg om de overprikkeling weg te nemen, maar ik merk zeker in sommige situaties verschil. Toch hou ik ook met deze pil mijn gordijnen dicht op zonnige dagen, zette ik laatst de koelkast zachter omdat het gezoem te veel was, en mijd ik veel facetten van het openbare leven.

Ik probeer mijn prikkelvermogen uit te dagen. Op dagen dat ik geen moeilijke dingen plan of verwacht zet ik de muziek net iets harder, net iets wilder, muziek met meer beat, of meer instrumenten door elkaar. Als je deze hoeveelheid geluid thuis leert verdragen, moet straks een treincoupé een eitje zijn, toch? Ik hoop het.

In overleg met de psychiater neem ik er nog een pil bij. Pil a had als bijwerking dat ik er lichter van slaap, b doet juist het omgekeerde, dus mijn slaap is met de tweede pil erbij weer een stuk fijner.

En toch, met al die pillen en maatregelen is de supermarkt een nachtmerrie. In het beste geval is het een neutrale beleving. Veel vaker is het zo overprikkelend, of reageer ik zo angstig op hele kleine onverwachte gebeurtenissen, dat ik zwaar overprikkeld, in paniek of in tranen thuis kom.

Waarom doe ik dit mezelf nog steeds aan? Er bestaat zoiets als een bezorgservice! Ik ben er bekend mee, met kerst of als ik ziek ben maak ik er al gebruik van. Het zou zoveel makkelijker zijn om thuis maaltijden in te plannen, op mijn gemak de juiste producten uit te kiezen, en in mijn veilige huis op de bezorger te wachten.

Waarom doe ik dat niet? Het voelt als opgeven.

Ik wil mezelf blootstellen aan de supermarkt, in de hoop dat als ik me er aan blijf blootstellen, het langzaam steeds makkelijker wordt. Als ik het helemaal opgeef, wordt het alleen maar moeilijker. Dan wordt het van iets wat ik kan maar (te) moeilijk is, iets wat ik niet denk aan te kunnen. Dan laat ik de prikkels winnen, en zit ik weer een uur extra thuis, wachtend op een bezorger, in plaats van in de supermarkt te lopen en mijn angsten te overwinnen. Dan wordt mijn wereld weer iets kleiner.

Toch twijfel ik weer, sinds mijn laatste negatieve ervaring. Zou mijn doel gezond eten niet veel makkelijker te behalen zijn als ik het obstakel supermarkt weghaal? Zou het online eten uitkiezen niet een mooie oefening in plannen zijn? Ik weet het niet.

Stomme supermarkt, waarom ben je ook zo luid, licht en druk?

Supermarkt

Het is luid, het is licht, er zijn te veel mensen, en helaas moet je er wel komen als je gezond wilt eten: de supermarkt.

Wat een nachtmerrie. Ik ben er al jaren mee aan het worstelen. Vroeger, toen ik nog geen kennis had over overprikkeling wist ik niet zo goed waarom, maar wat is een supermarkt heftig. Heel veel licht, heel veel geluid (waarom, waarom, WAAROM zijn er speakers die muziek afspelen? De andere prikkels hebben tenminste nog een functie…) en heel veel producten, die allemaal hun verpakkingen hebben, en prijsjes, en alles waarop je moet of kunt letten. En heel veel mensen, die mogelijk ook nog in de weg lopen of interactie van je verwachten.

Een paar jaar geleden lukte het me vaak niet om voor meerdere dagen boodschappen te doen. Ik werd zo overweldigd door alles wat ik hier boven opnoem, dat ik vaak ‘op de vlucht sloeg’. Ik vergat mijn boodschappenlijstje, of de dingen die ik in mijn hoofd onthield, greep nog net een pizza onderweg naar de uitgang, overleefde de kassa en stond me vervolgens buiten te bedenken dat ik nu weliswaar ongezond avondeten, maar geen ontbijt voor de volgende dag had gekocht. Dan moest ik de volgende dag maar weer terug, en als ik geluk had, lukte het me dan om voor 2 dagen boodschappen te doen. Heel soms haalde ik 3, maar zeker niet meer.

Tegenwoordig gaat het beter, door goed op te letten op wat ik kan doen om het mezelf makkelijker te maken. Koptelefoon, filtert bijna alle geluiden, helaas komen de muziekspeakers die de meeste winkels hebben er nog steeds overheen. Zonnebril, daar word de winkel lekker donker van. Een vast tijdstip om te winkelen, en zo veel mogelijk routine inbouwen in wat je eet door de week, en dus wat je in de winkel nodig hebt. ’s Avonds boodschappen doen, dat verlaagt de kans op huilende baby’s of jengelende kinderen, maar helaas verhoogt het de kans op groepen tieners of jongeren die zich veel onvoorspelbaarder gedragen dan volwassenen, en daarmee mijn angst verhogen.

Niet te veel moeilijke dingen willen kopen. Naast de dingen die ik elke week nodig heb, moet ik niet te veel andere wensen hebben, en al helemaal niet veel dingen waarvan ik niet weet waar het te vinden is. Dat maakt het koken heel beperkt, een nieuw recept uitproberen gaat vaak al mis in de supermarkt. Ik eet vaak dezelfde avondmaaltijden, gewoon omdat ik daar de ingrediënten het makkelijkst voor koop. Maar daar zit heel langzaam wat verbetering in. Deels door de maaltijdpakketten waarin de winkel alle ingrediënten alvast bij elkaar heeft gelegd. Deels door goed te plannen en bedenken wat ik nodig heb vóór ik naar de winkel ga.

Afgelopen week heeft de supermarkt nog een prikkel toegevoegd. Om een winactie voor sneakers te promoten, hingen er plaatjes van sneakers in het snoepschap. Met van die lampjes op de zool, die echt knipperen. DIE ECHT KNIPPEREN.

Bewegend licht is veel erger dan alle andere prikkels bij elkaar. Verlamd stond ik voor het chocolaschap, de informatie vloog op me af. Hoe moet je nou keuzes maken als dat licht maar blijft knipperen? In de rest van de winkel gaat het iets beter, maar de reclameactie blijft me achtervolgen. Inwendig is mijn angst gevaarlijk hoog, maar uitwendig blijf ik kalm, ik kan uitstekend maskeren. Bij de kassa lukt het me niet meer de vragen van de cassière te verwerken, lukraak zeg ik nee en ja, kom er thuis pas achter dat het om dierenplaatjes ging.

Tegen de tijd dat ik thuiskom is mijn gezicht nat van tranen, maar het is voorbij. Ik hoef over een week pas weer naar die winkel. Of wordt het tijd om toch over te stappen op boodschappen online bestellen?